zondag 13 december 2020

Friezen in Limburg in WOII - deel 5b: kind tijdens de oorlogsjaren

Eerder schreef ik dat het steeds moeilijker wordt om mensen te vinden die eigen authentieke herinneringen hebben aan de oorlogsjaren. Ik was dan ook erg blij met het gesprek ik had met de nu 86-jarige Henk Bosch, in het bijzijn van zijn vrouw Ali. Het gesprek vond plaats in zijn huis in Hoensbroek.
Ik ken de familie Bosch uit de tijd dat ik zelf in Treebeek woonde, op een steenworp afstand van de plek waar Henk tijdens de (meeste) oorlogsjaren woonde. In de tweede helft van de jaren ’60 waren we zelfs een soort van collega’s want nadat we samen een opleiding tot gymnastiekleider hadden gevolgd gaven we gymlessen bij dezelfde vereniging, namelijk de Christelijke Sportvereniging Treebeek (CSVT). Over zijn jeugdjaren tijdens de oorlog hebben we het toen nooit gehad. Henk heeft nog vele herinneringen aan die jaren en kan er naar eigen zeggen uren over vertellen.

Ik wist precies wie van de families in mijn omgeving uit Friesland kwamen. Maar ik heb nooit door gehad dat ‘opa Bosch’ ook een Fries was.
‘Ja, ja het was een echte Fries.’

Waaraan merkt je dat?
'Zo gauw er een Fries op bezoek kwam dan was het rebbelderebbel in het Fries. Dat kon hij heel goed.'

Henks vader Lieuwe was de oudste zoon van het echtpaar Siebe Bosch en Frouwkje Hoekema. Beiden geboren in Friesland. Vader Lieuwe zal een jaar of achttien, negentien geweest zijn toen hij met zijn vader, moeder en andere gezinsleden naar Limburg verhuisde. Lieuwe trouwde met Magaretha Cornelia Steenbergen.

‘Magaretha Cornelia Steenbergen. Dat was mijn echte moeder. Ik heb mijn moeder eigenlijk niet gekend. Ik was zes toen ze stierf. Ze is in 1940 gestorven, na het kraambed van zus Frouk: zwangerschapsvergiftiging. Daar stierven ze vroeger aan. Nu niet meer. Het was een rare tijd. Ik was altijd bij opa en oma. Ik hoorde eerder mijn oma nog zeggen “Greta is niet sterk”. Dat zit nog in mijn hoofd. Toen was ik nog maar een jongetje van 6, 7 jaar. Ik was de oudste van de kleinkinderen. Het gerucht ging dat de Duitsers de mijn zouden bombarderen.[1] Het was onveilig en dus zeiden ze: "Henk moet hier maar niet blijven." Mijn tante Jo, die nog bij opa en oma inwoonde, was hoofd van de christelijke meisjesclub ‘Bouwen en Bewaren’. In Brabant kende zij ook zo iemand. Mijn tante zei toen tegen mijn vader “Die vrouw is wat voor jou”. Zij heette ook Jo. Ik denk dat het zo gegaan is. Mijn vader is daar kennis wezen maken. En ja, "...omdat de mijnen misschien gebombardeerd worden, kunnen we Henk bij die tante Jo in Brabant onderbrengen." Ik heb daar, dat was in ’s Gravenmoer[2], een jaar op school gezeten. We schreven nog op leien met een griffel. We hadden een sponzendoosje om steeds weer alles uit te vegen. Een jaar of langer was ik dus bij “tante Jo”. Maar op een gegeven moment ging mijn vader met tante Jo trouwen. En toen was het  “moeder”.

Er zijn wel wat bommen gevallen op de Emma. In Treebeek bij de hoofdingang van de mijn stond een wit gebouw. Dat was de gaarkeuken. Wij kregen op school eten van de mijn. Op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag kregen wij warm eten. Je moest op school blijven, eerst eten en dan mocht je pas naar huis. Er waren mensen die voor twee, drie gulden een hele week werkten. Daar was het eigenlijk voor, maar iedereen werd verplicht om te eten. Als we ’s morgens naar school gingen roken we het eten al. Lekker eten hoor. Ik zie nog die grote witte kommen. Lekkere jus d’r op, hmm…

Er was geen sterke band met mijn vader.
Ik ben weinig geknuffeld. Misschien nog wel eens door mijn tante Jo. Wat ik wel weet is dat mijn opa altijd een middag dutje deed in de grote stoel. En dan lag ik schijnbaar op zijn buik. Dan sliepen we met zijn tweetjes. Ik had een hele goede opa en oma. Daar was ik altijd bij in huis. Daar sliep ik in het bed bij oom Jan, de broer van mijn vader. Dat was mijn plaatsje. Op een gegeven moment werd er gevraagd “Hoe is het eigenlijk met je broer?”. Daar bedoelden ze ome Jan dus mee.

Vanuit het huis van opa en oma heb ik ook de Duitsers binnen zien komen. Ik sliep daar altijd. Op een gegeven moment was er enorme herrie op straat. Mijn oom was al op. Ik lag nog alleen in bed. Ik kijk uit het raam en zie allemaal soldaten over straat lopen. Er was hier geen tegenstand. Niks. De Duitsers liepen gewoon binnen.

Er is mij later verteld dat ik ze ook nog te drinken heb gegeven. Dat weet ik zelf niet meer. Ik zat op een klein stoeltje, ik was zes jaar, aan de straat. Ik vond dat prachtig natuurlijk. Dat liep daar maar heel de dag door. Dan had je een groep soldaten en daarachter zo’n huifkar met paarden ervoor. En dan kwam er weer een groep, en weer groep… Ik zat gewoon te wachten tot iemand een teken gaf. Dan stopte alles en dan moesten ze water hebben. Ja, “Henk bracht de Duitsers naar het water”. Bij de hoofdingang van het magazijn van de emballage was een kraan. Waarschijnlijk hebben ze aan mij gevraagd of ik wist waar water was en heb ik ze die kraan gewezen.'

Oom Jan was verzetsman tijdens de oorlog…
'Ome Jan zat in het verzet. Dat hoorde ik natuurlijk later. Dat wist ik toen niet. Ik had elke keer een ander vriendje. Die had ik dan een paar dagen en dan was het vriendje weer weg. Dat waren vreemde vriendjes. Die praatten anders. Sommigen vloekten ook. Dat waren allemaal Amsterdammertjes, Joodse jongetjes. Wist ik veel… “Henk hier is weer een vriendje voor je”. Nou bleek achteraf dat de woning van opa en oma een doorgangshuis was. Als die kinderen aankwamen met de trein in Sittard gingen ze verder met de tram naar Hoensbroek, naar het huis van opa en oma. Soms stonden er wel tien in de keuken bij opa en oma. Door die kinderen kon je natuurlijk makkelijk verraden worden. Ze konden daar niet lang blijven. Dat was te link. Toch is het nooit opgevallen. Ze waren nog klein, niet leerplichtig. Ome Jan zat in het verzet en die moest zo gauw mogelijk die kindjes ergens onderbrengen. Dus bij meester Mulder, bij meester Hoekstra, bij de boeren, familie Kantervisser en overal kwamen die kinderen terecht. Maar ja, die Joodse kindjes moesten ook eten. Alles was op de bon. Wilde je een brood dan moest je een bon hebben. Dus wat deden ze? Ze overvielen zo’n bureau en haalden daar alle bonkaarten weg. En die werden dan verdeeld over die gezinnen.

Ik wist toen niet, dat het Joodse kinderen waren. Oom Jan heeft er 38 een plaatsje gegeven. Daar wilde hij later niks van weten. Men wilde hem in Nederland onderscheiden, maar dat wilde hij niet. Hij vond het zijn plicht om te helpen. Uiteindelijk is er toch met de kinderen van toen hier in Nederland een feest georganiseerd en is hij naar Israël geweest. Daar heeft hij al de kinderen die nu daar woonden bezocht en met ze gesproken. En bij de muur [van het museum in Israël/ssp] Yad Vashem staat zijn naam vermeld.[3]

Hij moest officieel natuurlijk opkomen voor militaire dienst voor de Duitsers. Maar omdat hij bij de zaak werkte hoefde dat niet. Dat was een uitzondering. Hij had een doordacht plan voor het geval ze hem kwamen zoeken. Hij hoefde achter maar over twee hekjes heen te springen en dan was hij bij de dokter. De burgemeester woonde daar ook. Dan stapte hij bij de dokter naar binnen, trok een witte jas aan en was dan doktersassistent.
De kinderen die aankwamen kregen allemaal een soort paspoort. Die paspoorten waren vervalst.


Bij die ingang van de mijn waar de gaarkeuken stond was een stuk muur weggebombardeerd. Ik heb nog scherven van de bom die daar gevallen is. Dat was het pad waar wij altijd langsliepen naar school. Die cokesfabriek in werking was één en al vlam. Als het luchtalarm was moest alles verduisterd worden. Maar met die cokesfabriek kon dat niet. Toch moest dat, want de mijn was dan zichtbaar. Dat vuur verspreidde zo veel licht! En de gereformeerde school was daar vlak naast. Als men de cokes ging afkoelen dan kwam er heel veel witte rook vanaf.’

Het was dan toch zeker wel gevaarlijk om zo vlak bij de mijn naar school te gaan…
‘Ja, dat is zo. Ze (dat moeten de geallieerden geweest zijn/ssp) hebben zelfs Lutterade gebombardeerd, omdat ze dachten dat ze boven Aken waren. We hebben geluk gehad dat hier niet veel bommen gevallen zijn. De mijn is niet echt geraakt. Maar ook in Kerkrade zijn bommen gevallen.'

Hoe heb je het terugtrekken van Duitsers beleefd?
'Toen de Duitsers hier wegtrokken – dat heb ik ook meegemaakt – toen kreeg ik van oom Jan een brief waarop stond: voetganger, fiets, auto, tank, etc. Ik moest boven in het kamertje gaan zitten, heel hoog in het huis - daar had ik mooi overzicht - en dan een uur lang alles noteren wat ik zag. Ik vond het wel leuk om te doen, maar waar was dat nou voor? Nooit geweten. Dan verdween dat papier weer. Dat kwam natuurlijk weer bij het verzet. Die konden die informatie dan weer doorgeven.

Het terugtrekken begon ’s zondags. Het was heel druk met Duitsers. De baas fietste op een gestolen fiets voorop. Ze kwamen over de Akerstraat en gingen richting Amstenrade. Ik hoorde later van mijn vader dat ze verzamelden bij het kasteel, bij het Amstenraderbos. Daar kon je beschermd zitten. Het luchtalarm ging achter elkaar door. Je hoorde schieten. Mijn vader ging hoog, op het dak van het magazijn, staan kijken. De kogels floten misschien wel om zijn oren. Ik begrijp dat nu nog niet. En op een gegeven moment kwam hij naar beneden en zei dat hij twee tanks had gezien. Die kwamen uit de richting Vaesrade, de berg op. Ze stonden op een gegeven moment op de Hommerterweg. Het waren Amerikanen.[4]  


Die zondag daarvoor trokken de Duitsers al weg. Ze kwamen bij ons weer om water vragen. Ik hoor mijn vader nog vragen: “Wie alt sind Sie”. 16 of 17 jaar! Jonge jongetjes. Militairen! Ook heel oude mannen waren erbij. Ze konden toen iedereen gebruiken. Vandaar gingen ze naar de Brunsummerheide. Hoensbroek en Brunssum waren bevrijd toen de heide nog vol met Duitsers zat. Ik zie die oudste jongens uit de hoogste klassen nog gewoon lopen met een holster en een pistool. Hadden ze gevonden op de hei. Mitrailleurs kon je daar ook vinden. Ze hebben er ook mee geschoten. Tsja, dat lees je nergens…

eerste tanks op de Akerstraat  (bron: Heemkundevereniging Hoensbroek) Deze tank rijdt hier ter hoogte van de woning van 'opa en oma Bosch'(zie de bijgaande tekst), die zich bevindt aan de rechterzijde

Op een gegeven moment werd het "sein veilig" gegeven, vermoed ik.. De mensen gingen de straat op. Vlaggen werden uitgehangen. “De tanks komen eraan” werd geroepen. We zagen nog niks. Alles verzamelde zich op de hoek Hommerterweg/Akerstraat. Plotseling kwamen er uit de richting Amstenrade twee tanks. 

Die draaiden maar heen en weer met de koepel. En toen… daar wordt ik altijd nog geëmotioneerd van… ze stopten, daar ging die koepel open en toen werd het Wilhelmus gezongen. Dat hoor ik nu nog. Dat vond ik zo indrukwekkend! Daarna kwam er een enorme lading voertuigen. De hele Akerstraat stond mudvol. Overal kwamen ze vragen, hoorde ik later, of er slaapplaatsen waren. Bij ons in huis hadden we twee Amerikanen, hoge officieren, en drie Engelsen. Die gasten konden elkaar niet zien of luchten. Wij moesten van de slaapkamer af. Ik sliep nog altijd bij mijn zus in bed. Zo ging dat vroeger. Zo werden kamers vrij gemaakt. Wij sliepen in een hoek van de woonkamer op een matras op de grond.’

Hoe lang heeft dat geduurd?
‘Wij zijn in september 1944 op de 18e bevrijd… het Ardennenoffensief vond plaats met kerst en toen zaten die soldaten nog altijd bij ons. Op een gegeven moment was alles weg. Alles en iedereen moest naar de Ardennen. Tot Luik liep de benzineleiding vanaf Antwerpen. De Duitsers wilden naar Antwerpen. Dan hadden ze de haven en de nodige benzine. Dat is niet gelukt, gelukkig.
Later kwamen de geallieerden weer korte tijd terug. De strijd was gewonnen. Daarna heb ik ze niet meer gezien.

            kinderen op Amerikaanse tank(bron: heemkundevereniging Hoensbroek)

We gingen niet naar school. Twee jaar lang niet: één jaar vóór de bevrijding en het jaar daarna. Op een gegeven moment kregen we les in de consistorie van de kerk (toen nog de houten Gereformeerde Kerk): één uur per week en dan kregen we wat opdrachten mee. We spraken wel vloeiend Engels, want dat leerden we van die Amerikanen. ‘Wooden shoes’, wij liepen op klompen. Nou ja, dat wist je dan. Een soldaat stond een keer op zijn rug te krabben. “Have you pietjes (Limburgs voor vlooien/ssp)”. “Niks pietjes. Go home!”, zei hij. Naast het huis van opa en oma stond een heel groot waterbassin. Dat water werd gebruikt om de militaire voertuigen schoon te spoelen. Ik dacht wat zit daar toch voor bloed aan die wagen. Het bleek dat ze daarmee lijken ophaalden uit de omgeving van Aken. Ook stonden in de open ruimte naast het huis van opa en oma de keukens. Iedere groep had zijn eigen keuken. Op een dag was ik boven met tante Jo en keek uit het raam. Ze waren pannenkoeken aan het bakken. Ze riepen me. Ik moest komen. Toen kreeg ik ook pannenkoeken.
Ik heb heel veel van die tijd onthouden.

Ik weet ook nog dat toen de allereerste troepen aankwamen mijn vader en moeder gingen kijken. Maar wij, mijn zus en ik, moesten naar bed. Ik heb wel een uur liggen brullen. Dat vond ik zo erg.

Tijdens de oorlog is ook nog een prinsesje geboren, Margriet was dat. We mochten allemaal naar de Pallast, de bioscoop. Daar kregen we beschuit met muisjes.
Bij opa en oma in de keuken stond een opklapstoeltje en daar stond de radio op. Die mocht je eigenlijk niet hebben. Iedereen moest die inleveren. Op bepaalde tijden hoorde je dan “dong, dong, dong” (Henk doet het geluid na)… “landgenoten, …”, Wilhelmina was dat, radio Oranje. Dat weet ik nog, maar wat ze dan verder vertelde interesseerde me niks. Je hoorde soms hele vreemde dingen. Daar snapte ik niks van: “De geit is geslacht. Het varken wordt morgen gebracht. De ladder staat klaar”. Dat waren berichten voor de verzetsgroepen. “De boodschap is goed overgekomen. Groeten van…”. Het ging dan bijvoorbeeld om het droppen van wapens ergens in een weiland.

Ik kan er nog uren over vertellen.'


[1] De familie woonde op een steenworp afstand van het bovengrondsbedrijf van de staatsmijn Emma.

[2] Vlak bij Dongen, Oosterhout, provincie Noord-Brabant.

[3] Zie ook het boek van J.A.A.van den Berg 'Joodse onderduikers in Hoensbroek', uitgave Heemkundevereniging Hoensbroek, 2016,  bijv. pag.50 en 51.

[4] Foto genomen door Lieuwe Bosch (de vader van de hier geïnterviewde Henk Bosch)

What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail
What do you want to do ?
New mail