vrijdag 4 mei 2018

De Duitse razzia in de Ouw Kolonie in Geleen


De titel slaat op een historische gebeurtenis die ik op het spoor kwam door een gesprek dat ik - alweer enige tijd geleden - had met Sjaak Ketelaar. Sjaaks moeder, Sietske Kuitert, is geboren in Drenthe, net als zijn vader. Het bijzondere is dat moeder Sietske Fries kon spreken. Ze moet het van haar moeder (Antje Kootstra) geleerd hebben want die was afkomstig uit Friesland. Ze hield die taal in ere getuige het feit dat ze regelmatig avondjes van de Fryske Kriten bezocht. De familie Ketelaar woonde in Geleen in een buurt die bekend staat als ‚’de ouw kolonie’. Ze behoorden tot de gereformeerde kerk. Vader werkte als bovengronder op de staatsmijn Maurits. Sjaak groeide op in Limburg. Hij woonde er gedurende de eerst twintig jaren van zijn leven (tot ongeveer 1963). Opvallend is dat de meeste mensen met wie ik herinneringen ophaal uit die naoorlogse periode geïmponeerd lijken te zijn door de katholieke processies. Zo ook Sjaak:
’Wat ik me ook nog herinner waren de processies. Het was bij ons een arme buurt, maar de straten werden helemaal met gekleurd zand bestrooid. Er werden mooie lopers gemaakt. Als de processie was afgelopen gingen wij als kinderen allemaal de straat op om dat zand bij elkaar te vegen. Dat was prachtig om mee te spelen. Hoe ze dat deden, ik snap het nog steeds niet. En allemaal van de paaltjes langs de weg met vlaggen eraan (…). Dat is bij ons wel 60 jaar geleden. Ik vond het mooi hoor. De mensen hadden dan de voordeur open gezet en daar een tafeltje geplaatst. Zo hadden ze een eigen altaartje, met beelden erop. Het had wel iets. Het was altijd spannend wie het mooiste altaartje had gemaakt. Ik weet niet of daar prijzen voor gegeven werden… En tijdens de processie dan kwam de pastoor langs en ik weet nog - ik stond daar vooraan - er stonden veel mensen langs de kant; iedereen knielde, dat moest als die hostie langskwam. Ik dacht ik ben protestant, ik blijf staan, ik hoef niet te knielen. En ik voelde dat er aan mijn jas getrokken werd. Naar beneden jij! Maar ik ben niet gaan knielen hoor. Ik bleef staan. Dat was in de burgemeester Lemmensstraat. Ze waren niet vervelend hoor, die katholieken. Ik heb altijd goed met ze kunnen opschieten.’


Hoe de familie Ketelaar betrokken raakte bij het redden van een joods kind uit de klauwen van de Duitsers staat beschreven in het boekje ’Aan de voet van de Steenberg’ van Anne Stap (2008/niet in de handel). Stap heeft het nu volgende verhaal genoteerd.
Op zekere dag, tijdens de oorlog, houden de Duitsers een razzia in de ouwe kolonie. De duitsers komen al vroeg de Timorstraat in. Vader Stap is niet thuis. Hij heeft vroege dienst en is naar het werk. De kinderen liggen nog in bed. Bij Anne Staps oom en tante in de Curacaostraat wordt een joods kind, zonder papieren, verborgen gehouden. Het kind is, amper zes weken oud, met zijn moeder uit een Amsterdam ziekenhuis gesmokkeld. Een stamkaart of geboortebewijs van het nu 10 maanden oude jongetje ontbreken. Wat nu? Oom en tante kennen de familie Ketelaar. Vanuit hun eigen huis hebben zij zicht op het huis van de Ketelaars aan de Borneostraat. Zo kunnen zij zien dat de razzia daar al voorbij is. Het gezin Ketelaar heeft drie jongens waarvan één in de leeftijd van het onderduikertje. Vliegensvlug sturen ze hun dochtertje om de stamkaart van de leeftijdgenoot op te halen. Het achtjarige kind heeft maar twee minuten nodig om  de oversteek te maken. Ze valt daar in het Duitse gewoel niet op. Net op tijd is ze terug met de stamkaart. Met de smoes dat de moeder van de jongen in Maastricht in het ziekenhuis ligt, nemen de Duitsers genoegen. 
Om veiligheidsredenen moet het dochtertje haar ’broertje’ in samenwerking met de Geleense ondergrondse afstaan. Hij wordt elders ondergebracht. Pijnlijk natuurlijk, maar eind goed al goed: het kind, de moeder èn de vader overleven de oorlog.