dinsdag 12 juli 2016

Op bezoek bij Driek Portiek

Speurend naar verhalen over Friezen die naar Limburg zijn vertrokken kom ik een artikel tegen met de titel `Ondergrondse Friezen`. Het is gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 22 december 2012. De
schijnwerpers worden in dat artikel gericht op de in Hoensbroek wonende Driek Portiek (82 jaar). 
Tot nu toe staan in deze blog Friezen centraal die in het begin van de twintigste eeuw (zo rond 1920) aangetrokken werden door de werkgelegenheid die de mijnen in Zuid-Limburg boden. De vraag naar voldoende en geschikte arbeidskrachten stond met regelmaat hoog op de agenda van de mijndirecties. Enkele jaren na de beëindiging van de tweede wereldoorlog is dat ook weer het geval. De gezamenlijke mijnen zetten ondermeer in Friesland een wervingscampagne op touw. Via advertenties en affiches met slogans als `Emigreer  in eigen land, er ligt een rijke toekomst in de Nederlandsche mijnen’, `Een nieuwe toekomst - een goed bestaan’, etc. probeert men Friezen te bewegen naar het zuiden te vertrekken.
In het betreffende artikel wordt de Leeuwarder Courant van 12 december 1951 aangehaald: „Voor `een vrij groot aantal` belangstellenden spreekt in Heerenveen de heer Huskes van de Staatsmijnen over het royale aanbod van banen in Limburg.”
De zeventienjarige Driek vertrekt in 1952 naar Limburg. Daarmee treedt hij in de voetsporen van een aantal familieleden, broers en zussen van zijn moeder, die hem al in de jaren dertig waren voorgegaan.
Het eerder genoemde artikel over Driek Portiek maakt me nieuwsgierig en ik besluit hem te bellen met de vraag of we elkaar kunnen spreken. De naam Spinder is hem niet onbekend. Onmiddellijk somt hij de namen op van de mijnwerkers uit mijn familie: Gerrit (mijn oom), Geert (vader), Thijs (oom), Siemen, de oudste zoon van Gerrit. Gerrit kent hij het beste. Met hem heeft hij deel uit gemaakt van de CDA-fractie in de Heerlense gemeenteraad (rond 1980).
De afspraak is gauw gemaakt.
Ik bel aan op het opgegeven adres. Een grote man verschijnt in de deuropening. Hij verwelkomt mij met een stevige handdruk. Ik spits mijn oren, er klinkt koormuziek. `Ik heb het Workummer mannenkoor opgezet.’ Driek Portiek heeft een zuidelijke tongval, maar als hij de namen van mijn vader (Geert) en oom (Gerrit) uitspreekt hoor ik toch geen `zachte g`. Zijn `g` klinkt nog altijd Fries (dat is zoals de Fransen de `g` uitspreken in bijvoorbeeld het woord `garçon`). Hij loodst me naar een kamer om mij plaats te laten nemen aan een tafel waarop twee kopjes klaar staan, geflankeerd door een schoteltje met een stukje Limburgse vlaai. Op weg daarheen zie ik in mijn ooghoeken een tijdschrift liggen over Heeg. In de hal hangt een afbeelding van een skûtsje. Het kan niet anders dan dat je hier bij een Fries binnenstapt!
Er volgt een geanimeerd gesprek. In berichten die later volgen zal ik daar meer over vertellen. Wie nu al meer wil weten over deze bijzondere man kan terecht op de website van `de mijnen’.



donderdag 9 juni 2016

Een noodwoning op de Steenberg


        De schacht van de staatsmijn Emma

(Mijn pake) Siemen Spinder was een ongeduldig type. Vanuit Friesland is hij eerst alleen naar Limburg vertrokken. Dat was om de boel te verkennen en om werk te zoeken. Daartoe verbleef hij een aantal maanden in een Gezellenhuis. Hij vond werk bij de staatsmijn Emma. Hier kon hij bovengronds aan de slag als machinebankwerker. De woningnood was groot in die tijd (omstreeks 1928). Het was dan ook lang wachten vooraleer aan de beurt te zijn voor een woning. Dat duurde hem allemaal te lang. Daarom liet hij de rest van het gezin overkomen, zonder al over een woonplek te beschikken. Hij stationeerde toen het gezin (moeder met vier kinderen) bij het hek van het woningbureau van de Emma aan de Akerstraat, ging zelf naar binnen en vroeg de betreffende ambtenaar naar buiten te kijken. `Zie je die mensen daar? Dat is mijn gezin. We hebben nù woonruimte nodig.` Na de nodige tegenstrubbelingen (dat kon toch zomaar niet ….) werd hen toen een noodwoning op de Steenberg (Hoensbroek) toegewezen.

Enige achtergrondinformatie over de noodwoningen
Over het type noodwoning waar mijn pake en beppe in eerste instantie in terecht kwamen vond ik meer informatie op de site van `De Mijnen`:
In de jaren 1918 tot en met 1921 bouwde Staatsmijnen niet minder dan 718 van dergelijke woningen. Die noodwoningen waren des te harder nodig. Immers in 1914 had Staatsmijnen de mijn Emma en in 1918 de mijn Hendrik in bedrijf genomen. De “levensduur” werd bepaald op zo’n tien tot vijftien jaar. Maar vaak stonden die noodwoningen er tientallen jaren. Bijvoorbeeld de zogenaamde Steenberg-woningen in Hoensbroek (Mariagewanden). Het zou hier nog tot in de jaren 1960 duren alvorens die noodwoningen aldaar onder de slopershamer kwamen.

Fragment uit:
bron: Sjef Maas, Mijnwerkerswoningen
http://www.demijnen.nl/collectie/interview/mijnwerkerswoningen

Overigens ken ik die wijk niet anders dan de `Steenberg`. Toch werd de naam van die buurt al in 1949 officieel herdoopt in Mariagewanden. Deze aanduiding is bij mijn weten thans het meest gangbaar.

Hoewel ikzelf in Treebeek ben opgegroeid in de jaren `50 -`60 wist ik van het bestaan van de winkel van de kruidenier Scholten op de Steenberg. Zij waren, net als wij, gereformeerd en lid van de gereformeerde kerkgemeenschap in Treebeek. Ze hadden een rijke kinderschare, waaronder een tweeling, twee meisjes. Deze waren ongeveer mijn leeftijd en op de lagere school waren we klasgenoten. Heel wat gereformeerde Friezen uit de wijde omgeving behoorden tot de klandizie van winkelier Scholten.




Prico (Prins en Co), de winkel van de familie Scholten op de Steenberg. De familie Scholten runde lange tijd de buurtwinkel De Prico (Prins en co) in de Hubertusstraat 33-35. Het was een typische buurtwinkel waar men voor bijna alles terecht kon. Zelfs nadat de winkel gesloten was kon men nog vlug even achterom iets kopen dat overdag vergeten was. 's Zondags echter kon dit niet omdat de gereformeerde vader Scholten de zondagsrust daarvoor te belangrijk vond.
Zie ook: http://mariagewanden.nl/nl/geschiedenis





De Akerstraat in 1917, vlak voor de aanleg van de tramlijn. Deze liep na de aanleg in 1918 over een onverharde weg. Een zodanig belangrijke verbindingsweg, die langs de Emma liep waar toen al bijna 10jaar een bedrijf lag waar ruim 2000 mensen werkten, was toen nog niet eens beklinkerd. De tramlijn liep van Heerlen naar Sittard met een aftakking naar Brunssum.
bron: http://www.sdhc.nl/os-gebrook/ontstaan-van-gebrook/

woensdag 13 april 2016

Emigreren om gezondheidsredenen

Beste lezers van mijn blog. 
Tot nu toe heb ik zelf steeds de teksten voor mijn blog geschreven. Verhalen van horen zeggen of gebaseerd op door mij afgenomen interviews. Ik ben heel blij nu een tekst te kunnen presenteren die door een ander is geschreven. Centraal staat een persoon die voor velen in Treebeek, Hoensbroek en omstreken bekend was. Er komen verschillende thema`s aan bod. Lees en geniet van dit mooie verhaal!

Mijn opa
Opa was een man van weinig woorden. Hij was een doener, geen prater. Wat ik over mijn opa hier te vertellen heb, weet
ik uit mijn eigen beleving of uit de verhalen van anderen. Mijn opa was een Fries uit Ureterp, Siebe Bosch genaamd. Het moet omstreeks 1919 zijn geweest dat hij met zijn hele gezin uit Friesland vertrok om een nieuw leven op te bouwen in het verre zuiden. Althans in die tijd waren dat hele afstanden, de eerste emigraties. In Friesland had hij diverse beroepen uitgeoefend, die hij telkens ook weer opgaf om iets anders te beginnen. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn tijd ver vooruit was, een echte flexwerker. De diversiteit van die vele ambachten was groot. Waarom hij steeds wisselde van beroep is me nog steeds een raadsel. Voldeed hij aan het gezegde: twaalf ambachten, dertien ongelukken? Ik weet het echt niet. De laatste twee ambachten waren die van binnenschipper en bakker. Wat ik wel weet is waarom hij met dat laatste vak gestopt is. Opa was astmatisch en had stoflongen opgelopen in de bakkerij. Op advies van zijn huisarts vertrok hij naar het zuiden van het land, dat zou een gezonder omgeving zijn. Hij was niet de enige Fries die naar Zuid Limburg vertrok. De meeste Friezen kozen de steenkolen. Limburg was in die tijd een snel opkomend wingewest, de mijnindustrie. Daar viel juist een goed betaalde boterham aan te verdienen. Mijn opa daarentegen vertrok naar het ongewisse. Hij wilde van zijn stoflongen af. Maar opnieuw koos hij weer helemaal voor zichzelf, om iets moois bovengronds op poten te zetten. Met de professionele garantie van schone lucht. Weg stoflongen!
Ik ken opa als een echte gezinsman, waar hij zich volledig voor inzette. Daarnaast, vooral toen hij het maatschappelijk gemaakt had, was hij er ook altijd voor zijn zaak, hij was grootgrutter geworden. Ik ken opa vooral uit de tijd dat hij al aan het rentenieren was. Drie van zijn zonen runden zijn zaak verder: Fa. S. Bosch & Zonen, Groothandel in Levensmiddelen, stond er in kolossale letters boven de poort van het magazijn. Mijn opa was een gereformeerde Fries. De vele Friezen die naar het zuiden trokken, waren sowieso merendeels gereformeerd. In heel Limburg waren er in de vijftiger/zestiger jaren slechts zeven gereformeerde kerken. Onze kerk was de Gereformeerde Kerk in Treebeek. Onlangs zag ik het logo van de kerk: een mijnlamp doorklieft de Gereformeerde cirkel. Gereformeerd en mijnindustrie hoorden daar blijkbaar bij elkaar. Natuurlijk was de oorspronkelijke Rooms Katholieke bevolking ook aan al die kolenmijnen verbonden. De Gereformeerden vormden daarbinnen als het ware een soort enclave in dit Roomse bolwerk. Het groen geverfde houten noodkerkje vormde het middelpunt van al die Friese emigranten. Allochtonen zouden ze nu genoemd worden. Als zakenman en ondernemer zette mijn opa zich enorm in om uiteindelijk een groot stenen gebouw als kerk te kunnen realiseren. Tot het laatst toe heb ik mijn opa  actief meegemaakt. Hij was ook altijd druk in de weer voor zijn kerk. Zijn garage lag volgestapeld met oud papier voor diezelfde kerk. Zijn auto paste er soms niet eens meer in.  
Waar de meeste Friezen in deze Roomse wereld hun plek als mijnwerkers wel vonden, daar werd deze beginnende ondernemer bepaald niet met open armen ontvangen. Opa begon met een kippenfarm, een hoenderpark zoals dat heette. Dit bedrijf moest kippen en eieren opbrengen, en zo voldoende te eten en drinken voor het hele gezin. Maar ´eieren koop je niet bij de duivel´ werd er vanaf de kansel door meneer pastoor verkondigd. Maar zoals dat gaat, zelfs toen al, luisterde niet iedereen meer naar deze pastoor. Dat moet wel haast zo gegaan zijn, want het hoenderpark floreerde. Opa kwam weer in contact met Sluis, Meel & Granen. Als bakker was dit bedrijf hem niet onbekend. Zijn ondernemingsgeest was helemaal wakker geworden: waarom niet in het groot? En zo werd het al gauw P. Sluis: Pluimvee & Veevoeder en Gros, gesponsord èn bevoorraad door diezelfde P. Sluis en breed uitgeschreven op opa’s
vrachtwagen. Een compagnon werd tijdens deze rit rap uitgekocht toen het bedrijf groter en groter werd. Last van een hel en verdoemenis predikende dorpspastoor was er niet meer bij. De zaken gingen hem zo voor de wind, dat er een groot huis, annex magazijnruimtes aan weerszijden, gebouwd werden, op een gunstige plek als uitvalsbasis langs de Akerstraat, de verbindingsweg tussen Heerlen en Sittard. Zelf ken ik mijn opa meer uit de tijd dat hij al rentenierde, toezicht hield op het reilen en zeilen in het magazijn, op zijn manier wel te verstaan. Klein en gezet van gestalte, was het een vrolijke joviale man met priemende pretoogjes. Al kon hij heel lastig zijn en zich makkelijk met andermans zaken bemoeien. Hij hield van vrouwen, maar zijn gereformeerde geloof hield hem netjes op het gebaande pad. Hij bleef tot het einde toe de pater familias. Hij versmaadde een borrel niet, maar moest dat verborgen houden voor oma. Naast het grote huis waarin hij woonde bevond zich een hotel-restaurant. Daar haalde hij voor het middageten eerst zijn neut, zonder dat oma daar iets van af wist, waarna het middageten kon worden opgediend. Pas na zijn dood  hoorde ik dat hij ook dol was op suiker.  Alles wat zoet was en onder zijn bereik kwam, werd in het geniep genuttigd, ondanks zijn diabetes. Suiker heette dat toen in bedekte termen. Ons magazijn had ook een snoepafdeling. Dat moet voor hem dus een glimpje hemel op aarde geweest zijn, in afwachting van het hemelse hiernamaals. Die suikerverslaving heeft hem de das om gedaan: zijn linker voet was in een vergevorderd stadium aangetast. Maar hij bleef het verwaarlozen. Uiteindelijk moest zijn hele been geamputeerd worden. Dat overleefde hij in zijn rolstoel niet meer. Binnen een jaar overleed hij op 86-jarige leeftijd. 
Ik heb dierbare herinneringen aan mijn opa, ook al stond zijn godsbeleving in die allerlaatste jaren, dat  ik hem nog heb mogen meemaken, mijlen ver af van de mijne. Zo was zijn grootste genoegen, als ik bij hem en oma op bezoek kwam, om op de klagende psalmenpomp, aangeblazen door mijn voeten, letterlijk dus van onder naar boven, het ‘Er ruist langs de wolken’ uit Johannes de Heer eruit te persen. Dan neuriede hij zachtjes die melancholische melodie mee onder de begeleidende woorden die oma erbij zong, zittend aan de andere kant van de haard. Opa was toch ook wel een Bourgondiër, maar ingekapseld en gekneveld door het Calvinisme heeft hij er helaas niet met volle teugen van mogen genieten. Hij had zich duidelijk niet geïntegreerd in zijn Bourgondische omgeving. Hij bleef tot zijn laatste snik een geëmigreerde gereformeerde stramme Fries. In mijn eerste jaar van mijn studie in Amsterdam kwam ik eenmaal in de maand naar het ouderlijk huis, gebouwd door mijn opa, bewoond door mijn ouders tot aan hun dood. Het bleef voor altijd ‘ons thuis’. Het waren de hoogtijdagen, vooral met Kerst, Pasen en Pinksteren. Ik bedacht me net op tijd dat ik van mijn beide grootouders nooit een echte portretfoto gemaakt had. Op die allerlaatste Pasen voor hem, in mijn eerste studiejaar, ging ik uitgebreid ‘op de koffie’ bij opa en oma. Ik nam er ook de tijd voor. Echt exposeren voor een foto leek me niets. Ik wilde een foto van opa zoals hij echt was, genietend van een drankje en zijn eeuwige sigaar. Kenmerkend  trok hij aan zijn bolknakker, af en toe nippend aan zijn glaasje Bols-jenever. Op de zon- en feestdagen was dat bij oma toegestaan. Hij genoot ervan. Het werd de laatste keer dat ik hem in levende lijve zag. In het erop volgende Pinksterweekend, tijdens het feest van de Heilige Geest, begaf opa ten slotte zijn geest. Wat was ik blij hem nog één keer te hebben kunnen fotograferen zoals hij echt kon zijn: vriendelijk, maar nu ook berustend, ontspannen, met zijn stropdas losjes gestrikt, en intens zuigend aan zijn dierbare sigaar. Het was één van de weinige levensgeneugten die Calvijn hem blijkbaar nog net toestond.
Joop Bosch, Den Haag, 7 april 2016


zondag 3 april 2016

DE REIS EN DE EERSTE JAREN

In het vorige bericht werd duidelijk dat de familie Spoelstra om economische redenen besloot te verhuizen van Oostermeer naar Zuid-Limburg. Hun winkel liep niet meer. Klanten kochten alleen nog op de pof. Limburg was het beloofde land. Daar was werk.

De reis van Friesland naar Limburg
De winkel en het meubilair („veel hadden we niet”) werden verkocht. 
„We moesten nog tijdelijk ergens anders verblijven want er kwamen 
andere mensen in de winkel.
Midden in de nacht kwam mijn vader zeggen dat we gingen vertrekken. We moesten eerst naar Leeuwarden. Met de taxi. We hadden net een baby gehad, dus er moesten luiers en al dergelijke dingen mee. Dat ging allemaal in een doos, bovenop het dak van de taxi. Onderweg vloog die doos eraf. De luiers vielen eruit. De chauffeur moest stoppen. Helaas wilde die auto niet meer rijden. Moesten we wachten op een andere auto. Daardoor misten we de trein. Van Friesland naar Limburg was een hele dag reizen. We konden uiteindelijk toch nog een trein nemen. We zaten in zo’n`hokje’ (coupé). Mijn moeder had limonade meegenomen, siroop, en ook pinda’s. Toen we moesten overstappen was het in die coupé een grote bende met die limonade en pindaschillen. De conducteur was boos. 
We waren met zeven kinderen. We droegen alle spullen. Hendrik was nog een baby. Hij lag nog in de kinderwagen. Die hadden we ook bij ons. 

De eerste jaren

Ik was 7 jaar toen we hier kwamen. Teunis en ik waren een tweeling. We zaten in dezelfde klas. Maar toen, in september, ging Teun over. Ik moest nog een half jaar blijven zitten. Een jaar hebben we toen in het Heufke gewoond. 
Mijn vader werkte op de Emma. Vanaf het Heufke was dat een eind lopen. Hij ging altijd te voet en nam de binnenwegen. Mijn vader kon niet heel makkelijk werk krijgen. Er woonden hier allemaal katholieken. Zo vlug ging dat niet. Hij moest bidden en smeken. „Ik heb een gezin met zeven kinderen en wil graag een boterham verdienen”, zei hij dan. Maar hij kon uiteindelijk werken als machinist. Hij was daarvoor in Friesland opgeleid.

Hij bediende de lift om materialen naar beneden (ondergronds) te transporteren. Hij is altijd bovengronds blijven werken.
Mijnwerkers op weg naar Staatsmijn Emma. Foto DSM

maandag 14 maart 2016

Kinderjaren in Friesland en het besluit om te vertrekken


Mijn tante, mevrouw T. Spinder-Spoelstra (94 jaar), vertelde mij enkele maanden geleden het volgende verhaal van de migratie van haar familie vanuit Oostermeer naar de oostelijke mijnstreek in Limburg. Het verhaal begint met herinneringen aan haar kinderjaren in Friesland. 

We hadden een kruidenierszaak in het dorp Oostermeer. Mijn vader werkte ook nog op een boot, twee keer in de week: van Leeuwarden naar Rottevalle. Dat was binnenvaart.

prent uit ca.1800 van het dorp Oostermeer

Hij was daar machinist. De motorboot voer van Leeuwarden naar Rottevalle, via Oostermeer. Daar was zo’n `valbrug`. Pake en beppe van mijn vaderskant woonden in Rottevalle. Ik mocht dan meevaren naar hen toe. Ik moest bij die valbrug gaan staan. Dan stond mijn vader klaar met zijn armen omhoog en dan moest ik springen. Zo ving hij me op. Dat was prachtig. 
Pake en beppe die hadden ook een kruidenierszaak. Die waren stapelgek op mij. Op een keer had die boot al getuut. „Nou moet je vlug zijn”, zei mijn moeder, „anders ben je te laat!” Mijn broer Dirk die draafde mee, maar we moesten nog een borstrok meenemen voor mijn vader. Door dat hollen verloren wij die borstrok. Maar wij bleven toch doorlopen. De boot was de bocht al om, we waren te laat. „Ik wil mee, ik wil mee …”, riep ik, maar `t kon niet meer. We liepen terug en daar lag die borstrok nog op straat. Ik huilde toen ik thuis kwam. „Ik wil naar beppe”, snikte ik. „Nou dan moet Dirk je maar even op de fiets brengen”. Hij reed dan met een vaartje. We moesten een brug over. Het leek net of hij zo het water in zou fietsen.

Bij pake en beppe
In de winkel bij pake en beppe stond een grote ton met `apenootjes` (doppinda`s). Op een dag kwamen er een stel zigeuners binnen. Ze moesten dit hebben en dat hebben, maar beppe moest voor die dingen naar achter om ze te halen. Toen pikten ze apenootjes en ik durfde niks te zeggen. Pas toen ze weg waren vertelde ik het. „Is het weer zo”, zei beppe, „nou ja, je moet ze toch een beetje helpen…” 
Op een keer waren er nog maar weinig apenootjes in die ton. Ik dook erin, maar toen kon ik niet meer uit die ton komen …. „Dan moet je dat ook maar niet doen”, zei beppe.

Het besluit naar Limburg te vertrekken
We hadden een ruim inkomen. Veel mensen kwamen bij ons in de zaak. Totdat er allemaal schulden, schulden, en nog eens schulden ontstonden. Voor de winkel werd het een moeilijke tijd. De mensen betaalden hun boodschappen niet. In zo’n groot lang boek stond genoteerd wat nog allemaal betaald moest worden. Dat liep zo op, dat op een gegeven moment mijn vader zelf niet meer de noodzakelijke voorraden kon inkopen. 

Mijn ouders kenden mensen in Limburg. Mijn vader heeft navraag gedaan of er nog werk was in Limburg. En zodoende zijn wij naar Limburg gegaan. 


(wordt vervolgd)

donderdag 4 februari 2016

Het leven in Friesland

Eerder al vertelde ik iets over de achtergrond van de migratie van het gezin Spinder-van Schepen (mijn pake en beppe) naar Limburg. Van een neef en nicht, kinderen van mijn tante (de dochter uit het betreffende gezin) kreeg ik aanvullende informatie over de leefomstandigheden van het gezin toen ze nog in Friesland woonden. 
In een poging grotere hoeveelheden vracht te vervoeren en zo de verdiensten wat op te schalen, had mijn pake zijn skûtsje middendoor laten zagen en er een extra stuk romp tussen laten plaatsen. „Na het plaatsen van het tussenstuk voer het schip niet meer goed. Het was log geworden. Pake had er spijt van.” 
„Als er geen wind was en er niet gezeild kon worden, werd er een paard gehuurd om het schip te trekken. Het paard liep dan langs de vaart. Maar was er geen geld, dan trok beppe het schip. Ze had dan ook armen als bielzen”.


„In de winter, als er ijs lag, kon er niet gevaren worden, maar er moest toch brood op de plank komen. Ze hadden dan meestal het schip in de stad Groningen aangemeerd. Als er sneeuw lag, mocht hij sneeuw ruimen. Daar verdiende hij 1 gulden per dag mee.”

                                       (met dank aan Antje en Siemen Muis).

maandag 18 januari 2016

Allemaal mijnwerkers?


Ik eindigde mijn vorige bericht met de suggestie die de auteur Wim van der Linden deed, dat al die Friezen in en rondom Recklinghausen (in Duitsland) in de mijnen werkten en dat zij dat beroep vervolgens voortzetten in de mijnen van Zuid-Limburg. Dat lijkt toch niet helemaal te kloppen. Ik sprak in oktober vorig jaar met een telg uit de familie Van Kalsbeek. Hij zei letterlijk:
Geen één van die gasten (hij sprak hier over zijn familieleden) heeft in een Duitse mijn gewerkt. Dat weet ik wel heel zeker. Mijn vader is naar Limburg gekomen in 1918 nadat hij gedemobiliseerd werd. Hij ging erheen omdat er een meisje zat. Daar is hij toen achteraan gereisd. Dat is niks geworden.
Enfin, zo zie je maar: voor sommige Friezen speelden er heel andere motieven om naar de mijnstreek in het Limburgse te trekken.

Oranje Nassau Mijn in Heerlen met de schoorstenen Lange Jan en Lange Lies


Ook Geu(gjen) Jeeninga zat kennelijk niet te springen om in de mijnen te gaan werken. In Duitsland heette hij overigens Gustav (begint ook met G…), want dat vond men daar een niet uit te spreken naam. Geu begon, na zijn verhuizing naar Limburg, samen met één van zijn broers een winkeltje in boter, kaas en eieren. 
Met regelmaat spanden zij hun paarden Fanny en Asta voor de wagen en reden naar de markt in Heerlen om daar hun waren aan de man te brengen. De oudste zoon van Geu, Ate, kan zich dat nog goed herinneren. 
Als ik uit school kwam wachtte ik ze op en sprong dan achter op de wagen om zo mee naar huis te rijden.

Dat winkeltje werd geen succes en zo belandde Geu Jeeninga uiteindelijk toch nog in de mijn.

donderdag 7 januari 2016

Meer over Recklinghausen en een eigengereide Fries uit Heerlen









Ik kwam een verhaal tegen over het schippersgezin Mietus. De Friese schipper Mietus trof hetzelfde lot als mijn eigen pake Siemen Spinder. Met de vrachtzeilvaart in Friesland viel geen droog brood meer te verdienen.
Nadat in een koude winter twee keer een lading aardappelen bevroren was en zijn schip door grondijs onherstelbaar beschadigd was, migreerde Geert met zijn gezin, zijn schoonouders Van der Veen-Wiersma en leden van de bevriende familie Bouwhuis in 1897 en 1898 naar Recklinghausen in het Ruhrgebied. (…) De Nederlandse kolonie in Recklinghausen groeide. Enige andere Nederlandse familienamen in Recklinghausen zoals vermeld in het familieboek van Geert Mietus zijn: De Jong, Betzema, Buist, Van der Hooft, Jeninga, Van den Brink, Walthuis en Lammersma.
Interessant is dat in dit rijtje de naam Jeninga voorkomt. Zou dat de naam zijn van de familie Jeeninga die later naar Heerlen verhuisde? Wat opvalt in de schrijfwijze is die extra ’e’ in de eerste lettergreep.
De geboorteakte van mijn pake Geu(gjen) Jeeninga vermeldt echter Jeninga met één ’e’! Mijn moeder vertelde me dat dit toe te schrijven was aan een soort eigenwijzigheid van haar vader. Die vond gewoon dat de naam met twee ’e’s geschreven moest worden. En zo is het gekomen…
Als het klopt dat het hier gaat om de Jeeninga’s die later in Heerlen woonden, dan kunnen we concluderen dat niet alleen de Van Kalsbeeks (zie mijn vorige bericht) maar ook de Jeeninga’s in Recklinghausen gewoond hebben. 

Mijnwerkers…? Het hierboven aangehaalde citaat heeft een interessant vervolg, nl.:
Alle mannen van de Nederlandse kolonie werkten op de mijnen bij Recklinghausen.
In het volgende bericht ga ik daar verder op in.

Ik heb in dit bericht gebruik gemaakt van de volgende bron:
Migratie Nederlanders via het Ruhrgebied naar Zuid-
Limburg, geschreven door Wim van der Linde
Het artikel is op internet te vinden: http://www.ngv.nl/Artikelen/MigratieNederlanders.pdf


zaterdag 2 januari 2016

Friesland - Recklinghausen (Duitsland) - Zuid-limburg


Hänschen klein 
                      Ging allein 
                               In die weite Welt hinein 
                        Stock und Hut 
                        Stehn ihm gut
                        Ist gar wohlgemut. 
Omstreeks 1950, met haar eerste kleinkind Hans, mijn oudste broer, op schoot zong mijn beppe Jeeninga-van Kalsbeek dit liedje. In het Duits! En ze kende meer Duitse versjes. Die had ze op school geleerd, vertelde mijn moeder ons later. Ze was immers in Duitsland op school geweest…  Maar waar in Duitsland? En hoe in Heerlen beland? 
Toen ik recent een tante interviewde, meisjesnaam Van Kalsbeek, viel de naam Recklinghausen. Ook een broer van haar liet me weten dat de Van Kalsbeeks in Recklinghausen gewoond hebben.
Elders op mijn blog schreef ik al dat een deel van de Friezen rechtstreeks vanuit Friesland naar Limburg is gekomen en een ander deel via een tussenstop in Duitsland. Beide routes zijn in de geschiedenissen van mijn grootouders terug te vinden. De familie Spinder-Van Schepen kwam rechtstreeks, de familie Van Kalsbeek (de familie van mijn oma van moederszijde) maakte een omweg via Duitsland. 

Op vele vragen rondom de migratie via Duitsland moet ik het antwoord vooralsnog schuldig blijven. Ik speur naar meer informatie en kom hier zeker op terug. Misschien weet iemand anders meer? Laat het weten!

Voor wie geïneresseerd is in de melodie en de volledige tekst van „Hänschen klein” verwijs ik naar:

Recklinghausen ligt in Duitsland, ter hoogte van `s Hertogenbosch, ongeveer 115 kilometer oostwaarts vanaf de Nederland-Duitse grens.