zondag 3 maart 2019

(Ook) Friezen in Limburg vieren carnaval




VOORAF
Excuus… maar wanhoop niet.
Ik realiseer me dat tussen het tijdstip van het laatst geplaatste bericht en nu een diepe kloof gaapt. Soms gaan andere zaken in het leven voor. Het ritme waarmee op mijn blog nieuwe berichten verschijnen is daardoor onregelmatig van aard. Ik heb zo gelukkig geen last van bloggerstress.
Met trots kan ik vermelden dat het driejarig jubilieum van Friezen in Limburg al een feit is.
Dit was toen…


We gaan de lucht in…

Bijna op de scheidslijn van 2015/2016, dus nog net in het ’jaar van de mijnen’, gaat deze blog van start.

Dit is NU: 

HET IS WEER CARNAVAL

Nog maar weinig nu in Limburg wonende nakomelingen van Friese migranten zullen er weet van hebben. Er was een tijd dat gereformeerde Friezen anti-carnavalsavonden organiseerden. Zij vonden carnaval maar een losbandig zuipfeest. Dat paste geheel niet in de levensstijl van de gereformeerden. Maar zaken kunnen snel veranderen.  Ik zal dat illustreren aan de hand van de ontwikkelingen binnen het gezin waarin ik opgroeide.

De laatste anti-carnavalsavond die georganiseerd werd in het gereformeerde Jeugdhuis in Treebeek zal hebben plaatsgevonden omstreeks halverwege de jaren ’60. Mijn broer (1947) was één van de organisatoren. Hij was binnen ons gezin de oudste. Daarna volgden met tussenpozen van twee of drie jaar nog drie kinderen. Een ‘nakomertje’ sloot de rij. Toen deze jongste zus haar tienerjaren beleefde hadden de oudere zussen en broers het ouderlijk nest al verlaten. Zij had geen weet van anti-carnavalsavonden. Integendeel, zij stortte zich zonder scrupules, samen met haar Limburgse vriendinnen, in het carnavalsgedruis.

Hoe snel kan het gaan!

Treebeek 2014


          Kleindochter van Friese Skûtsjeschipper 
            die in 1928 naar Limburg emigreerde om 
          mijnwerker te worden. Hier samen met 
           haar dochter, gereed om deel te nemen 
                 aan de (mini) carnavalsoptocht te Treebeek.


dinsdag 27 november 2018

Twee kinderen op reis naar Heerlen





Dit verbeeldt wat gebeurd is met de kinderen die weggebracht zijn in de oorlog. Het is een man met een kind. En dat kind heeft een koffertje bij zich. 
Aan het woord is Johnny Kijl. In mei van dit jaar spreek ik hem in zijn woning in Amstelveen uitgebreid over de oorlogsjaren en zijn verdere levensloop.

Als zo rond 1942 het risico voor joden in Amsterdam om opgepakt en afgevoerd te worden naar een kamp steeds groter wordt besluiten de ouders van Johnny om samen met zijn oom en tante onder te duiken. Die oom en tante hadden een dochtertje. 
Zij met z’n vieren, mijn ouders en een tante met haar man gingen onderduiken in het huis naast Anne Frank. Ze zaten naast het achterhuis. De kinderen konden ze niet meenemen. Het enige wat m’n moeder meenam was de poes. Noortje was dat, die heeft ze meegenomen en die heeft aan die onderduik meegedaan. Die zaten met z’n vieren in zo’n kamer van het achterhuis. Met z’n vieren slapen, eten… Ze moesten er dik voor betalen hoor.
Maar ja, mijn moeder kon haar zoontje niet meenemen en mijn tante haar dochtertje niet. Ze kenden via via iemand en die heeft gezegd: ik zorg dat die kinderen worden opgehaald. Mijn tante en mijn moeder moesten lopen in Amsterdam, dat is dat beeldje met dat koffertje, naar het Amstelstation. Zij liepen daar in die buurt. Ze mochten niet omkijken. Ze moesten gewoon doorlopen. Van de andere kant kwamen twee mannen aangelopen. Ze wisten niet wie het waren… en die pakten die kinderen. Dus mij en mijn nichtje. Mijn moeder moest doorlopen. Ik begreep niet wat er gebeurde als klein jongetje. Er is toen gewacht tot ’s avonds laat, want ze mochten niet opvallen met die kinderen. Ze zijn op de fiets naar Hoorn gereden. Want een auto viel ook weer op. Ze wisten dan fietspaden, binnendoor. We zijn terecht gekomen bij een familie. De man was een schoolleraar. Ik heb toen vreselijk gehuild, toestanden… Ik kon daar niet blijven. Mijn nichtje wel. Toen moest ik via de ondergrondse weg daar. Die mensen hadden connecties in Heerlen, familie of kennissen. Toen hebben ze mij naar de familie Wijnsma gebracht.



In het vorige blogbericht heb ik Ronnie geïntroduceerd. Over haar eerste twee levensjaren kan ze weinig zeggen:
Ik heb al gezegd dat ik heel weinig weet. Het waren geen praters, mijn ouders. Ik heb een oom, die is 96 geworden en die wist nog alles. Daar heb ik nog wel eens wat aan kunnen vragen. Hij was getrouwd met een zusje van mijn vader. Hij was in de oorlog ook in Bergen-Belsen, samen met heel de familie van mijn ouders. 
Ik heb ook nog in Westerbork gezeten, als baby.
De hele familie van mijn vaders kant is op een gegeven moment naar Westerbork verbannen. Ik had een rijke opa en die heeft zich vrij gekocht bij de Duitsers. Toen zijn we allemaal uit Westerbork weer terug naar Amsterdam gegaan. Toen hebben ze mij laten onderduiken bij een broer van mijn vader, die getrouwd was met een niet-Joodse vrouw.
Ik heb ook ergens in het weeshuis bij het Concertgebouw gezeten… en daar ben ik vandaan geplukt, dacht ik…



Ik weet, allemaal verhalen van horen zeggen, dat ik met een jongetje, Johnny Kijl, dat we met de trein naar Limburg zouden gaan en dat we te laat waren. En de trein met allemaal andere kinderen, waar wij ook in hadden moeten zitten, is aangehouden en al die kinderen zijn doorgestuurd. En alleen wij hebben het gered. Maar hoe ik aan dat verhaal kom, ik weet het niet…
Er moet een engeltje op onze schouders gezeten hebben. Dus dat weet ik. Ik weet dat ik als `Rotterdammertje` in Heerlen kwam. Ik was zogenaamd een kind van bij een bombardement omgekomen ouders.

Zo kwam Ronnie dus terecht bij de familie Jeeninga - Van Kalsbeek (mijn pake en beppe). Wijnsma en Jeeninga, twee Friese families, ze woonden in dezelfde straat op de Molenberg in Heerlen. Beiden boden een schuilplaats aan een joods kind. Zowel Johnny als Ronnie overleefde de oorlog. Ze wisten het niet van elkaar. Pas (lang?) na de oorlog is dit bekend geworden.



 (wordt vervolgd)

vrijdag 9 november 2018

Friezen in Limburg in WOII - deel 1.

In de aanloop naar 2019, het jaar waarin het 75 jaar geleden is dat het zuiden van Nederland werd bevrijd van de Duitse bezetting, ga ik aandacht besteden aan Friezen in Limburg die een rol speelden in het verzet of betrokken waren bij het onderbrengen en het verborgen houden van joodse kinderen en volwassenen in Friese gezinnen. Het is aannemelijk dat er 2400 joden in Limburg waren ondergedoken. Dat is relatief veel vergeleken bij de rest van Nederland. In Limburg hebben ongeveer evenveel katholieke als protestantse gezinnen een schuilplaats aangeboden. Dat betekent dat relatief meer protestantse gezinnen onderduikers herbergden.(1) Zij vormden immers een kleiner aandeel in de bevolkingsomvang. Aangezien van alle noorderlingen de Friezen de grootste groep vormden is het waarschijnlijk dat een groot aantal Friese families joodse onderduikers in huis had.


Zowel mijn pake en beppe Jeeninga als mijn pake en beppe Spinder hadden onderduikers in huis.
Mijn enkele jaren geleden overleden oom Kees Jeeninga wist zich nog te herinneren hoe zijn ouders er toe gekomen waren om een joods kind in huis te nemen. Het verhaal dat nu volgt, werd uit zijn mond opgetekend door zijn vrouw Ans.

`Op een van de zondagen dat heit en mem naar de kerk liepen, kwamen ze in het villapark voorbij een mooi groot huis waar volgens mem altijd joden hadden gewoond. Ze merkte op dat de villa nu leeg was en vroeg zich hardop af waar deze mensen waren gebleven. Dit zal tussen het begin van de oorlog en 1941 hebben plaats gevonden.
Mem besprak dit met hun dominee Pontier en zo hoorde ze het verhaal dat de dominee per trein naar onder andere Amsterdam ging om joodse kinderen op te halen voor onderduik in Heerlen.
Ook aan mem werd de vraag gesteld of ze wilde meehelpen om kind(eren) op te vangen. Ze wilde geen baby ”daar had ze er genoeg van gehad“. Hun jongste kind was immers in oktober 1938 geboren. (Hij was het negende kind.)

Op een zekere morgen in 1942 kwam mem met een meisje op haar arm de slaapkamers langs om te vertellen “dit is jullie nieuwe zusje Ronnie”.
Met het verhaal erbij dat “tijdens de bombardementen in Rotterdam de vader en moeder van Ronnie om het leven waren gekomen en daarom kwam ze hier wonen”.
Ronnie had veel vrijheid in de buurt, ging graag naar de buren, ze was een vrolijk meisje.’ 
In een interview dat ik recent met Ronnie had, antwoordt zij op mijn vraag  ’Speelde je gewoon buiten?’: 
’In een mum van tijd was iedereen bekend met het feit dat ik gewoon een dochter was, dat we zusjes waren. Ze waren allemaal donker: donker haar, donkere ogen, ik leek sprekend op ze. Alleen er was nog een meisje, Jetty. En Jetty was ouder. En Jetty mocht niks. Jetty zag er heel Joods uit. Ze moest heel erg oppassen. Ze was al twaalf. En ze was boos, heel boos. Dus die begreep het niet. Als er gebald werd, moest zij binnen zitten, moest ze de bal binnen opvangen’.   [Het verhaal van Ronnie wordt vervolgd.]


Over de betrokkenheid van Friezen bij onderduik en verzet valt nog heel veel te vertellen. De komende tijd zal ik daar meerdere berichten op deze blog aan wijden.



(1)  Ik baseer deze gegevens op: Rens, Herman van (Hilversum 2013), Vervolgd in Limburg. Maaslandse monografieën | 76

vrijdag 6 juli 2018

HEIMWEE

’Heimwee wordt gezien als een kinderkwaal, als gedrag van moederskindjes,            terwijl het een veelvoorkomend verschijnsel is’, zegt psycholoog Miranda van Tilburg.
’Heimwee is een vorm van stress.’
’(…) na een verhuizing heeft de helft tot driekwart van de volwassenen er (…) last van.’ (citaten uit een artikel van Ellen de Visser uit de Volkskrant van 23-10-2012}

Wat mij opvalt in de verhalen van de naar Limburg verhuisde Friezen is dat er weinig wordt gesproken over heimwee. Mogelijk brengt de Friese volksaard met zich mee om, zo er al sprake van heimwee zou zijn, het daar maar niet over te hebben.
Toch kwam ik onlangs een verhaal tegen waarin werd vermeld dat Aebeltje Klijnsma last had van heimwee en wel zodanig dat zij tengevolge daarvan een tijdlang niet kon spreken.
Zij was samen met haar man Klaas, een boer, in de twintiger jaren vanuit Friesland naar Zuid-Limburg verhuisd. Voor o.a. de boeren was in die tijd de crisis duidelijk voelbaar.
Omdat Klaas Klijnsma niet van plan was zijn hand op te houden bij het Crisiscomité (verleende steun aan slachtoffers van de crisis), ’emigreerde’ de familie Klijnsma in 1929 vanuit Friesland naar Zuidoost Limburg. Daar vond Klaas Klijnsma werk in de mijn Oranje Nassau III in Heerlerheide. De familie Klijnsma ging wonen in de Brunssumse wijk het Leeuwstuk. 

Is er iets tegen heimwee te doen? 

Voorop gesteld: je komt er niet gemakkelijk vanaf. Wat mogeljk kàn helpen is om je te omringen met spullen van thuis. Aebeltjes echtgenoot was daar blijkbaar van doordrongen.
Omdat Klijnsma het boeren toch niet kon laten, bouwde hij achter zijn huis aan de Leeuwstraat 26 een stal en hield daar een koe. Het is tegenwoordig onvoorstelbaar, dat midden in een woonwijk een koe gehouden wordt en dat niemand klaagt over stankoverlast. Om de mest van de koe op te slaan, huurde hij achter zijn huis een stuk land. Op een deel van dat stuk land stond een hooiberg voor wintervoer en een ander deel werd gebruikt als groententuin en hooiveld.

Epiloog 1
Ik ken de wijk Het Leeuwstuk vrij goed. Ik kwam er regelmatig. Er woonden verschillende gereformeerde (dikwijls Friese) families met kinderen die bij mij op school zaten (de Gereformeerde lagere school te Treebeek). Het hier beschreven verhaal was voor mij nieuw.

Epiloog 2
In de naoorlogse jaren zijn bijna alle leden van de familie Klijnsma uit Brunssum vertrokken.
Moeder Aebeltje Klijnsma-Hoekstra is op 6-3-1967 tijdens vakantie in Friesland plotseling overleden. Vader Klaas Klijnsma heeft nog enige tijd in het Leeuwstuk gewoond. Hij heeft ook nog enige jaren bij dochter Richtje in Zutphen gewoond. Van daar is hij op 80-jarige leeftijd naar Joure in Friesland verhuisd en daar overleden.Van de zeven kinderen is bekend, dat zij, met uitzondering van zoon Fokke Klijnsma, Limburg in de jaren vijftig van de twintigste eeuw verlaten hebben. Zij verhuisden o.a. naar de provincies Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Friesland. Een vijftal van deze kinderen is inmiddels overleden.

De cursief gedrukte passages zijn afkomstig uit:
Sipsma, Jouke. De koe van Klijnsma. In: De Heemkunde Bron, contactblad van de Heemkundevereniging Brunssum, jrg.6, nr.9, juni 2012.
vindplaats:

http://www.heemkundebrunssum.nl/plaatjes/pdf/heemkundebron/Heemkunde%20bron%2019%20jun%202012.pdf

vrijdag 4 mei 2018

De Duitse razzia in de Ouw Kolonie in Geleen


De titel slaat op een historische gebeurtenis die ik op het spoor kwam door een gesprek dat ik - alweer enige tijd geleden - had met Sjaak Ketelaar. Sjaaks moeder, Sietske Kuitert, is geboren in Drenthe, net als zijn vader. Het bijzondere is dat moeder Sietske Fries kon spreken. Ze moet het van haar moeder (Antje Kootstra) geleerd hebben want die was afkomstig uit Friesland. Ze hield die taal in ere getuige het feit dat ze regelmatig avondjes van de Fryske Kriten bezocht. De familie Ketelaar woonde in Geleen in een buurt die bekend staat als ‚’de ouw kolonie’. Ze behoorden tot de gereformeerde kerk. Vader werkte als bovengronder op de staatsmijn Maurits. Sjaak groeide op in Limburg. Hij woonde er gedurende de eerst twintig jaren van zijn leven (tot ongeveer 1963). Opvallend is dat de meeste mensen met wie ik herinneringen ophaal uit die naoorlogse periode geïmponeerd lijken te zijn door de katholieke processies. Zo ook Sjaak:
’Wat ik me ook nog herinner waren de processies. Het was bij ons een arme buurt, maar de straten werden helemaal met gekleurd zand bestrooid. Er werden mooie lopers gemaakt. Als de processie was afgelopen gingen wij als kinderen allemaal de straat op om dat zand bij elkaar te vegen. Dat was prachtig om mee te spelen. Hoe ze dat deden, ik snap het nog steeds niet. En allemaal van de paaltjes langs de weg met vlaggen eraan (…). Dat is bij ons wel 60 jaar geleden. Ik vond het mooi hoor. De mensen hadden dan de voordeur open gezet en daar een tafeltje geplaatst. Zo hadden ze een eigen altaartje, met beelden erop. Het had wel iets. Het was altijd spannend wie het mooiste altaartje had gemaakt. Ik weet niet of daar prijzen voor gegeven werden… En tijdens de processie dan kwam de pastoor langs en ik weet nog - ik stond daar vooraan - er stonden veel mensen langs de kant; iedereen knielde, dat moest als die hostie langskwam. Ik dacht ik ben protestant, ik blijf staan, ik hoef niet te knielen. En ik voelde dat er aan mijn jas getrokken werd. Naar beneden jij! Maar ik ben niet gaan knielen hoor. Ik bleef staan. Dat was in de burgemeester Lemmensstraat. Ze waren niet vervelend hoor, die katholieken. Ik heb altijd goed met ze kunnen opschieten.’


Hoe de familie Ketelaar betrokken raakte bij het redden van een joods kind uit de klauwen van de Duitsers staat beschreven in het boekje ’Aan de voet van de Steenberg’ van Anne Stap (2008/niet in de handel). Stap heeft het nu volgende verhaal genoteerd.
Op zekere dag, tijdens de oorlog, houden de Duitsers een razzia in de ouwe kolonie. De duitsers komen al vroeg de Timorstraat in. Vader Stap is niet thuis. Hij heeft vroege dienst en is naar het werk. De kinderen liggen nog in bed. Bij Anne Staps oom en tante in de Curacaostraat wordt een joods kind, zonder papieren, verborgen gehouden. Het kind is, amper zes weken oud, met zijn moeder uit een Amsterdam ziekenhuis gesmokkeld. Een stamkaart of geboortebewijs van het nu 10 maanden oude jongetje ontbreken. Wat nu? Oom en tante kennen de familie Ketelaar. Vanuit hun eigen huis hebben zij zicht op het huis van de Ketelaars aan de Borneostraat. Zo kunnen zij zien dat de razzia daar al voorbij is. Het gezin Ketelaar heeft drie jongens waarvan één in de leeftijd van het onderduikertje. Vliegensvlug sturen ze hun dochtertje om de stamkaart van de leeftijdgenoot op te halen. Het achtjarige kind heeft maar twee minuten nodig om  de oversteek te maken. Ze valt daar in het Duitse gewoel niet op. Net op tijd is ze terug met de stamkaart. Met de smoes dat de moeder van de jongen in Maastricht in het ziekenhuis ligt, nemen de Duitsers genoegen. 
Om veiligheidsredenen moet het dochtertje haar ’broertje’ in samenwerking met de Geleense ondergrondse afstaan. Hij wordt elders ondergebracht. Pijnlijk natuurlijk, maar eind goed al goed: het kind, de moeder èn de vader overleven de oorlog.