woensdag 16 november 2022

'Bûter, brea en griene tsiis, wa't dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries.' aflevering 1

In deze eerste aflevering beschrijft Gerrit Bosch hoe hij ertoe kwam om op zoek te gaan naar zijn 'roots', wat uitmondde in een fraai beschreven familiehistorie.

We kennen elkaar sinds de kleuterschool waar we samen in de klas zaten bij juffrouw Kort. Daar namen we de aanloop naar de Gereformeerde lagere school waar we werden onderricht door juffrouw Miedema en de meesters De Boer, Mulder, Rienks en Van Ingen Schenau, maar ook de daarop volgende Koningin Julianaschool (m)ulo bezochten we gelijktijdig. Siemen Spinder en ik waren vriendjes, we groeiden op onder de rook van Staatsmijn Emma.

1958, Gereformeerde Lagere school te Treebeek

Behalve dat we tot dezelfde kerk behoorden hadden we nog iets gemeenschappelijks: onze (voor)ouders waren Friezen. Bij de familie Spinder was dat duidelijk waarneembaar want er werd thuis Fries gesproken; maar bij ons, de familie Bosch, was er niemand die die taal sprak.

Ik vroeg mijn vader waarom wij geen Fries spraken thuis. Siemen noemt zijn opa pake en ik de mijne gewoon opa. Van mijn vader kreeg ik geen overtuigend antwoord dus vroeg ik het aan mijn grootvader. Die was daar verrassend genoeg heel duidelijk over. Hij vertelde dat zijn gezin in Ureterp natuurlijk Fries sprak maar toen we in Limburg kwamen hebben we besloten om Nederlands te spreken omdat iedereen ons dan zou kunnen verstaan en wij met iedereen zouden kunnen praten. We begonnen in 1920 hier in Limburg een bedrijf en er waren hier geen Friese klanten. Dat klonk plausibel, maar het was nog niet duidelijk waarom we thuis geen Fries (meer) spraken. Opa bleef stellig en gaf aan we zijn hier niet in Friesland, we spreken hier Nederlands. En daar moest ik het mee doen. Voor het gezin waarin ik opgroeide gold overigens ook nog dat mijn moeder uit Brabant kwam dus lag het niet voor de hand dat wij aan het ontbijt Fries met elkaar zouden spreken in het Limburgse Hoensbroek. Ik ben dus zonder de Friese taal opgevoed, maar ik was me wel bewust van die taal en van de trots die er achter schuil gaat, een trots op die noordelijke provincie en haar cultuur, ver weg van hier. Friesland speelde in ons gezin geen rol. We wisten dat vader er geboren was en graag bij het ontbijt een plakje Fries roggebrood at. Dat roggebrood kochten we van een man die allerlei Friese producten in een grote mand had zitten die hij op zijn brommer had gemonteerd. Als hij aanbelde riepen wij door de gang de Friese bakker is er, waarop mijn moeder naar de deur kwam en bestelde wat ze wilde hebben.

Fryske sûkerbôle

Zo kocht ze o.a. ook Fries suikerbrood maar mijn vader had van opa een beter recept gekregen dus ging hij dat brood zelf bakken. In onze eetkamer hing een wandtegeltje met de tekst Wes in sinnestriel, in oar hat der forlet fan (1). Het was een cadeautje van een nicht die in Workum op vakantie was geweest. De vertaling van deze tekst heb ik bij mijn weten nooit te horen gekregen, maar voor ons was het gewoon Fries.

En dan was er nog dat mooie zilveren theelepeltje met De Waterpoort van Sneek. Het stond in een sierlijk lepelvaasje van mijn moeder in de glazenkast in de voorkamer. Dat lepeltje sprak tot mijn verbeelding en in mijn kinderlijke fantasie was die poort met zn twee torens een enorm gebouw dat deel uitmaakte van een groot kasteel. Met blokken bouwde ik het na en liet er mijn speelgoedtreintje onder door lopen. Toen ik De Waterpoort vele jaren later voor het eerst in het echt zag moest ik wel even slikken omdat hij heel klein is en niet aan mijn zo lang gekoesterde kinderbeeld voldeed. Neemt niet weg dat ie natuurlijk mooi is. 

In mijn jeugd ging ons gezin regelmatig op vakantie, zowel in Nederland als in het buitenland, maar Friesland was nooit ons reisdoel. Heel merkwaardig eigenlijk en gek genoeg heb ik me nooit afgevraagd waarom we er niet naar toe gingen. Ik heb die provincie dus later zelf moeten ontdekken. Mijn eerste vakantie zonder mijn ouders voerde naar de geboortegrond van mijn vader. Ik was toen 16 jaar. Aanvankelijk ging ik er heen om de historische orgels in Leeuwarden en Bolsward nu eens in het echt te beluisteren; juwelen van instrumenten in prachtige kerkgebouwen! Daarnaast ontdekte ik hier een nieuwe passie: zeilen. Vooral toen ik in de daarop volgende jaren in Enschede studeerde ging ik regelmatig met vrienden naar Friesland om er in een BM-er te zwalken over de Langweerderwielen en het Sneekermeer.

Ook in de zomervakanties koos ik steevast voor Friesland, niet alleen om er op het water te verwijlen maar ook om de sporen te zoeken van mijn vader en zijn ouders. In die tijd logeerde ik ook vaak in Kampen bij een broer van mijn vader, oom Dirk. Ik bezocht hem graag omdat hij toegang had tot de orgels in de Burgwalkerk en de Bovenkerk, maar vooral om naar de verhalen te luisteren die hij vertelde over de tijd in Friesland en de eerste jaren in Limburg.

Ik hing aan zn lippen. Van hem heb ik de meeste informatie gekregen over het gezin van opa en oma Bosch. Toen hij 93 jaar oud was heeft hij zijn herinneringen aan die begintijd in een klein boekje samengevat. Het geeft een aardig beeld van onze familie in de periode 1920-1930. Bij het schrijven van dit artikel heb ik er dankbaar gebruik van gemaakt.                             

Geïnspireerd door de gesprekken met hem ben ik me geleidelijk aan gaan toeleggen op het vergaren van informatie en fotos van en over mijn familie. Zo kreeg ik uiteindelijk een aardig archiefje. Maar helaas is er nog steeds sprake van hiaten. Ik heb nog veel vragen, heel veel vragen. Naarmate ik ouder word spijt het me dat ik niet heb doorgevraagd in gesprekken met mijn opa en oma, ooms en tantes en bovenal mijn ouders. Ik vroeg hen veel maar toch te weinig. Stom, stom, stom.

Terug nu naar Siemen. Siemen en ik bleven bevriend, tot op de dag van vandaag. Hij is zogezegd mijn oudste vriend. En net als in Limburg wonen we ook nu al weer vele jaren op loop afstand van elkaar, maar dan in Haarlem. Hoewel we de deur bij elkaar niet plat lopen, zoeken we elkaar graag en met regelmaat op. Bij die gelegenheden wordt het leven doorgenomen en blikken wij soms met weemoed terug op het brons groen eikenhout van onze jeugd. Onlangs voerden we een geanimeerd telefoongesprek over een artikel dat hij heeft geschreven over mijn oudste broer Henk. In december 2020 publiceerde hij daar een eerste versie van in zijn blog Friezen in Limburg maar onlangs vulde hij het artikel aan om te kunnen publiceren in een boekje dat binnenkort wordt uitgegeven door Heemkunde Vereniging Hoensbroek. In dat artikel vertelt mijn broer o.a. over de verhuizing van opa en oma Bosch in 1920. Mijn andere broer, Joop, heeft dat ook gedaan in zijn bijdrage aan Friezen in Limburg in blog 13-03-2016. Joop noemt de noorderlingen die die verhuissprong maakten emigranten. Die aanduiding of typering is geenszins overdreven.

De overstap vanuit een vertrouwde cultuur waarin mensen soms eeuwenlang wortels hebben, naar een nieuwe cultuur die echt wezenlijk anders is, moet voor veel mensen een metamorfose zijn. Ik denk daar vaak over na, vooral in deze tijd van vluchtelingenstromen en asielzoekers.

In het gesprek dat Siemen en ik voerden ging het over de reis van mijn opa en oma in 1920. Wat ging er aan vooraf, hoe verliep die reis en hoe was het voor het Friese gezin om opeens een middenstander te zijn in een piepklein Limburgs dorp? Hoe Fries bleef mijn familie?

Is de familie Bosch uit Hoensbroek een Friese familie? Nee, volgens mij niet. Oké, we hebben Friese roots, dus kan je spreken van een Friese afkomst, maar daar houdt het op.

De beslissing van opa Bosch in 1920 om, wonend in Limburg, geen Fries meer te spreken was zijn beslissing. Daarmee heeft hij voor zijn gezin een belangrijke verandering te weeg gebracht in de beleving van de Friese cultuur waaruit zij zijn voortgekomen. De Friese taal heeft een bekende spreuk die mij gelijk geeft: 'bûter, brea en griene tsiis, wa't dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries'. Geloof me, er is niemand in mijn familie die deze zin in correct Fries kan uitspreken.

Al pratend met Siemen over al deze dingen, vroeg hij me waarom ik dit verhaal nooit heb opgeschreven. Het was niet de eerste keer dat hij dat vroeg. Ik kon hem niet langer weigeren en daarom beloofde ik dat ik zou opschrijven wat ik wist over de reis die mijn grootouders maakten in 1920, maar ook aan de tijd die er aan vooraf ging én hoe het gezin het rooide in de eerste jaren in Limburg. 

In de volgende twee afleveringen lees je het verhaal van mijn familie zoals ik het ken.

Wordt vervolgd.

 -------

(1) Wees een zonnestraal, iemand anders kan het wel gebruiken.

 

donderdag 29 september 2022

Pas later trots op Friese roots

 

Grietje Troelstra was nog maar een klein meisje toen ze samen met haar ouders verhuisde van het Friese plaatsje Blija naar het Limburgse Treebeek. Ze trouwde met de uit Drenthe afkomstige Jaap Scholten. Zij kregen elf kinderen. Reeds vóór de Tweede Wereldoorlog genoot het echtpaar in de wijde omgeving bekendheid vanwege hun kruidenierswinkel op de Steenberg, een wijk aan de rand van Hoensbroek. Eén van de dochters uit het gezin stuurde mij het volgende verhaal.

       
Pas later trots op Friese roots

‘Als tiende kind van elf in totaal, met tevens de drukte van de buurtsuper (Prico) in en later aan huis, was er weinig gelegenheid tot gesprek over vroeger.

Ik heb mijn moeder eigenlijk nooit Fries horen spreken. Ik weet dat zij de Friese taal altijd heeft behouden en wel Fries praatte met familieleden die uit Friesland op bezoek kwamen. Mijn moeder, Grietje, kwam als vierjarige met haar ouders naar Treebeek en heeft tot aan haar huwelijk thuis Fries gesproken. Toen was ze 23 jaar. De achternaam van mijn moeder is Troelstra (geen familie van Pieter-Jelle). Wij leerden thuis zeker bepaalde Friese uitdrukkingen en ‘s zaterdags kwam de Friese bakker aan huis. Ik herinner me nog wel heel goed, dat mijn moeder altijd zei: ‘de mensen hier zijn anders’... Dit, terwijl wij diegenen waren die ‘anders’ waren. Zij bleef zich dus buitenstaander voelen (en ikzelf eigenlijk ook in de Limburgse taal en cultuur).
Mijn ouders, en ook wij kinderen, waren bevriend met de familie Praamstra, ook Gereformeerd. De moeder was Friezin en de vader Groninger. Onderling spraken zij altijd Fries. Eerst is dit gezin naar Eindhoven verhuisd en toen naar Joure. Op mijn zeventiende heb ik samen met Ineke Praamstra vakantiewerk gedaan in de kantine bij de D.E. in Joure. Er werd daar echter alléén Fries gesproken. En opstandig als ik toen was, weigerde ik die taal te verstaan. Ik voelde me echt in het buitenland! Maar na een emotionele ontmoeting met de kantinedame, begreep ik dat zij eigenlijk nooit  Nederlands sprak. Toen heb ik de resterende tijd maar benut om wat Fries te leren, tot grote trots van mijn moeder! Sinds ik teruggekeerd ben vanuit Scandinavië naar Nederland (1999) heb ik zeer geregeld ‘s zondags naar Omroep Fryslân gekeken. Het Friese bloed stroomt dus echt door mijn aderen (meer dan het Drentse). Ik ben trots op mijn Friese roots en zou er best willen wonen als het landschap heuvelachtig zou zijn.’

Aaltje Scholten

woensdag 4 mei 2022

Een verhaal met een bijzonder vervolg…

Het blogbericht van 15 mei 2020 bevatte een verhaal in het kader vanFriezen in Limburg in WOII’, geschreven door de toen 89-jarige Eeke van der Weij-Smedema, dochter van Friese ouders. Enkele maanden later, in dat zelfde jaar, overleed zij. De toen plusminus 14-jarige Sonja Wagenhuis stond in die geschiedenis, die eindigde met een aantal vraagtekens, centraal. Het verhaal kreeg echter een vervolg. Voor ik daar op in ga, volgen enkele citaten uit het oorspronkelijke blogbericht van 15 mei 2020. De gebeurtenissen speelden zich af in Treebeek, onder de rook van de staatsmijn Emma.

 ‘Op een dag kwam oom Teunis bij ons en vroeg onder andere mij of ik eens bij hen langs wilde komen. Zij hadden een meisje in hun gezin opgenomen, Sonja, en omdat zij veel ouder was dan hun kinderen toen waren, voelde ze zich erg alleen.’ (…)

‘… al gauw daarna vroeg Sonja of ze bij ons mocht komen, wij waren allemaal wat groter dan de kinderen bij mijn oom en tante. En na rijp beraad, en na overleg met het verzet, is Sonja bij ons gekomen en heeft bij ons gewoond tot het einde van de oorlog. Ik had een zusje, zomaar opeens!!’ (…)

‘Toen we bevrijd waren, op 19 september, en ook Sonja weer naar buiten mocht, keken alle buren en overburen stomverbaasd naar haar: waar komt die opeens vandaan! Ik voelde me trots toen.’ (…)

‘We hoorden toen ook dat de ouders van Sonja omgekomen waren in Auschwitz, maar dat een oudere broer van haar, die in Noord-Holland ondergedoken had gezeten, nog wel leefde. Ze had ons nooit verteld dat ze een oudere broer had, haar ouders hadden haar op het hart gedrukt daar niet over te praten.’

Het verhaalt eindigt als volgt:

‘… mijn moeder (…) zei: “Sonja is weg en zal niet meer terugkomen. Je kunt haar het beste proberen te vergeten”. En dus was ik toen mijn zusje weer kwijt!! Het is best mogelijk dat ze inmiddels is overleden. Ze was een paar jaar ouder dan ik’.

https://i.pinimg.com/originals/a2/1d/0a/a21d0a5dd326b8dc6032c082a4f45fc2.jpg 

De toegang tot Treebeek. In deze buurt verbleef Sonja Wagenhuis de laatste jaren van de oorlog. Op de achtergrond de gebouwen van de Staatsmijn Emma.

Hier eindigde aanvankelijk dit verhaal over Sonja Wagenhuis. De schrijfster van het stuk tastte dus in het duister over het lot van Sonja. Een broer van Eeke van der Weij-Smedema, waarmee ik een mailwisseling had, schreef daarna het volgende: ‘Eeke, onze enige zus tussen zes jongens, heeft na de oorlog alles in het werk gesteld om Sonja op te sporen, maar dat is niet gelukt. Ze beschouwde Sonja als haar lieve zusje met wie ze dolgraag verder wilde. Maar heeft Sonja dat ook gewild? Heeft zij na de oorlog ook contact gezocht?’

Enkele maanden na het overlijden van Eeke van der Weij-Smedema kreeg ik onverwacht een bericht van René Wagenhuis en zijn broer, twee neven van Sonja Wagenhuis. Sonja was een zus van hun vader (de broer waar Sonja niet over mocht praten van haar moeder). Van hem wisten ze dat hij tijdens de oorlog op een onderduikadres in Noord-Holland had gezeten en dat hun tante Sonja gedurende de oorlogsjaren ergens in Zuid-Limburg was ondergedoken. Maar waar? Bij wie? Daarover was hun niets bekend. 

Ze waren er van op de hoogte dat tante Sonja op jonge leeftijd in Israël was overleden en begraven. Zoals in veel Joodse gezinnen werd over wat er allemaal had plaatsgevonden tijdens de oorlog vooral gezwegen. Zo ook bij de familie Wagenhuis, zo vertelde René mij door de telefoon. Speurwerk op internet had hen naar mijn blog geleid. Daar kwamen ze tot grote verbazing de naam van hun tante tegen en een verhaal over haar verblijf bij de familie Smedema.

Gelukkig kon ik hen in contact brengen met Hans Smedema (een jongere broer van Eeke van der Weij-Smedema). De broers plaatsten op een Facebookpagina in Israël een oproep die niet onbeantwoord bleef. Op 29 december 2021 trof ik op mijn blog de volgende reactie aan:

'Sonja (Sara) Wagenhuis was de dochter van Philip Wagenhuis en Rosette Blez (beiden vermoord 16-07-1943 in Sobibor) en was geboren in Amsterdam juli 1928. Haar oudere broer Jacob was van mei 1923. Sonja is te samen met de familie van Leo en Leni Levin en met meerdere joodse weeskinderen in februari 1949 naar Israël geëmigreerd en nam daar de Hebreeuwse naam Sara aan. Sara is 21 jaar oud wanneer zij na een korte ziekte op 26-03-1950 overlijdt. De volgende dag wordt zij begraven op de Kiryat Shaul begraafplaats in Tel Aviv.' Naftaly Godesh Tal'or.

Naftaly Godesh Tal'or doet onderzoek naar het lot van Joodse kinderen. Voorts weet hij in een rechtstreeks contact met de broers Wagenhuis te melden dat: ‘(…) Leo en Leni Levin, (…) te samen met hun drie kinderen meer dan tien wezen met zich mee namen op Alijah in 1949, hoogstwaarschijnlijk te samen met Sonja/Sara. Die meeste (wees)kinderen waren jonger dan Sonja en bleven met de familie Levin in Kibboets Giv'at Brenner wonen. Voor de ouderen werd in andere kibboetsen een toekomst verzorgd. (..) Sonja is terecht gekomen, 20 jaar oud, in de "Beth haChaloetsot" (het vrouwen pioniers tehuis) in de King George straat in Tel Aviv, dat diende als opvang voor alleenstaande jonge vrouwen.’

Naschrift.
Wat mooi dat
Eeke van der Weij-Smedema haar verhaal over Sonja Wagenhuis via mijn blog heeft willen delen. Jammer is het dat zij niet geweten heeft hoe belangrijk dat was voor de nabestaanden van de familie Wagenhuis. Het onderstreept nog eens hoe goed het naar mijn mening is om verhalen te vertellen en door te geven. Daar komt bij dat deze geschiedenis het belang van een ‘gewone familie-aangelegenheid’ overstijgt. Het herinnert ons er weer aan welke verschrikkingen oorlog, antisemitisme en rassenhaat met zich meebrengen. Het doorgeven van verhalen helpt ons om niet te vergeten.