maandag 31 juli 2023

Een derde generatie mijnwerker: Simen Spinder (1939 – 2022).

September 2022 had ik in zijn woonplaats Brunssum een gesprek met mijn oudste neef Simen Spinder. Tijdens mijn jaren in Limburg, de eerste 20 van mijn leven, had ik nooit veel contact met hem omdat hij tien jaar ouder was dan ik.

Simen Spinder (links de geïnterviewde) en Siemen Spinder (interviewer)

Ik wist dat hij mijnwerker was. En dat is bijzonder omdat geen van mijn andere neven een bestaan als mijnwerker ambieerde. Wij behoorden immers tot de derde generatie migranten die van hun vaders de boodschap meekregen: voor welk beroep je ook maar wilt leren, ik vind het goed, als je maar niet de mijn in gaat! Maar deze Simen – we hadden vijf Si(e)mens in de familie - koos al op jonge leeftijd voor het mijnwerkersleven. Net als zijn vader en net als zijn opa.

Zijn loopbaan: Gedurende 13 jaar in de Staatsmijn Emma (Hoensbroek); 7  jaar bij Duitse boorfirma's (werkzaamheden in verschillende mijnen); 6 jaar in een Belgische mijn in Waterschei.


Ik was nieuwsgierig en wilde erachter komen wat hem dreef. 

Als kind bezocht hij, net als alle zussen, broer, neven en nichten, de Gereformeerde lagere school in Treebeek. In de zesde, toen hoogste, klas begon het al te kriebelen.

Je vertelde dat je op de bovenste verdieping op school zat, en als je dan naar buiten keek…

‘Ja, dan zag ik die OVS-ers1) langs komen. Ik dacht daar ga ik heen. Leren lukte niet. Toen niet. Dus wilde ik naar de mijn. Ik had vakantie van school in augustus en daarna wilde ik naar de mijn, maar dan moest je veertien en een half zijn. Ik was dertien.’

Je was dertien en wist toen al dat je naar de mijn wilde?

‘Mijn vader heeft mij toen een half jaar op de bouw gezet. Ik ben een half jaar op de bouw geweest… met dertien jaar! Daar moest ik ook zwaar werk doen. Je begon als ‘keetjongen’. Maar op een gegeven moment was je specie aan het maken, spullen naar boven brengen, de trappen op… Toen ik veertien en een half was heb ik me aangegeven bij de mijn. Het eerste jaar was gewoon padvinderij. Veel gymnastiek, veel wandelen. Lessen, ook van meneer pastoor. Er kwam ook wel een dominee. Maar dat vonden we niks. Geef mij maar meneer pastoor. Toen ging ik het tweede jaar in. Dan werd je al een uur bovengronds gezet, op het houtterrein. Moest je hout tellen, bundelen voor ondergronds. En ’s middags kreeg je weer gymnastiek, een uurtje les. In het derde jaar moesten we naar onder. Ik weet nog goed, het was op een zaterdag. En ’s zaterdags hoefden wij maar zes uur te werken. Voor de katholieken was het belangrijk dat het werk om twaalf uur ’s nachts afgelopen was. Dan konden ze op zondag naar de kerk. Het was geen pretje in het begin. Het was zwaar.

Je ging gelijk aan het kolenfront.  Met een ‘mijnvader ’erbij. Die had dan een groepje van zes mensen om te begeleiden. Hij deed voor hoe je het beste de kolen los kon maken.’

Ben je je hele leven lang mijnwerker geweest?

‘Negen maanden ben ik bij een boorfirma geweest. Ik was de hele week van huis. Dat was in Reinsdorf (Duitsland). Bij het Schwartz Wald. We moesten boren. Ik heb een gat geboord van 700 meter. Dat was voor Bad Reinsdorf. Het water moest een bepaalde temperatuur hebben als het boven kwam. Een kostbare geschiedenis, want dat water kwam maar niet. De ene boorkop na de andere... Prijzig! Maar op een gegeven moment was er water. Dat hadden ze nodig voor die baden. Dat was even een heel andere baan. De hele week van huis. Je mist natuurlijk thuis. En dan zat je daar. Je moest twaalf uur werken. Je was niet constant aan het werk. Die boor was aan het draaien. In het vocht dat naar buiten kwam zat gesteente. Dat moest je dan af en toe opvangen en in zakken doen.’

Dit uitstapje naar andersoortig werk deed hij samen met zijn zwager, die een auto had zodat Simen met hem kon meerijden. Na verloop van tijd gooide een ziekte van zijn zwager roet in het eten. Hij kon niet langer meerijden en dus keek hij uit naar een andere baan. Hij ging werken voor een bedrijf dat nauwe banden had met het mijnbedrijf.

‘Het was een firma die werkte op verschillende plaatsen. Eentje die schachten maakte, gangen, en zo meer. Daar kreeg ik een premie toen ik begon. Ik was gewend twaalf uur te werken. Op een gegeven moment, ik ben de eerste dienst aan het werken… Ja jongens "Feierabend!" (Duits voor ‘einde werktijd’)  Ik zeg “Wat Feierabend…”? Was het al klaar. Ik zeg tegen mijn vrouw: “Ik weet niet wat me overkomt”. Het was niet zo plezierig werken met Duitsers. Het was achterdochtig volk. Terwijl wij als Nederlandse mijnwerkers gewend waren tegen mekaar te zeggen ‘Jongens dàt gaan we doen en dan hebben we genoeg gedaan.’ Het kon weleens tegenvallen, het kon wel eens meevallen, maar we deden het wel. Dan was het ouwehoeren onder mekaar, ook wel aan het zingen. “Das gibt nicht, singen auf die Arbeit!”. Ik werd daar gek van. En dan was het ook nog zo dat we meer belasting moesten betalen als de Duitsers. En had je wat overdiensten gemaakt voor Kerstmis dan had de ene dat en wij zoveel. Ik denk daar ga ik een eind aan maken. Dat ga ik niet meer doen. Nou ja. Goed er is toch nog een tijd over heengegaan. Ik geloof acht jaar.’

Die boorfirma werkte voor onder andere de Kempense mijnen. Als er een klus klaar was dan ging je naar een andere mijn. Ik zeg tegen mijn vrouw: “Ik ga in België werken. Ik heb daar wat kennissen”. Jongens die ik goed kende. Zegt ze: “Als jij in België gaat werken, laat ik me scheiden”.’

Toch meldde Simen zich aan bij een mijn in Waterschei, gelegen in de Belgische Kempen. Er werd Nederlands gesproken. Over de noodzakelijke medische keuring zegt hij:

‘De dokter op keuring zei “Bukt u maar”. Hij legt zijn duim in mijn rug… “Goed gekeurd”, zegt hij.’

Steenkoolmijn van Waterschei Genk (België); hoofdgebouw, schachttoren en passerel van badzaal naar schacht

Er blijkt een mijnbus te rijden waarmee hij dagelijks op en neer kan pendelen, dus de scheiding ging niet door.

‘Toen ben ik daar begonnen. Sociale voorzieningen en alles waren daar een stuk beter. We konden verlof nemen wanneer we maar wilden. We konden op vakantie wanneer we wilden. Dat was allemaal bij die boorfirma niet mogelijk. Daar moest je in januari al invullen wanneer je (in de zomer) met vakantie ging. En dan moest je drie datums opgeven. En dan bepaalden zij wanneer je mocht. Je vriend ging bijvoorbeeld in juli en ik in augustus! Dat was toch geen doen. We moesten ook hard werken.

Belgische mijnwerkers gingen met vijfentwintig ondergrondse dienstjaren met pensioen. Maar dat ging pas vanaf je 21e. Vóór die tijd mocht je niet aan de pijler (gestutte gang in een kolenlaag) komen.

In België moesten we met z’n drieën, voor de pijler uit, een gang maken, zodat de pijler door kon schuiven. Naderhand ben ik schietmeester geworden. Daar moest je voor opgeleid worden. Dat duurde zes weken. De lagen mochten niet dikker dan 60 centimeter zijn. Dan moest je met dynamiet schieten. Anders moest je veiligheidsmunitie gebruiken. Er stond vaak veel gas. Ik had een benzinelamp en een gasmeter bij me. En was het weleens zo dat ik te veel gas had. Dan wist ik niet of ik wel kon schieten. Dan moest ik naar boven bellen, naar de ingenieur. “Zeg meneer Couwberg ik heb zo en zoveel gas”. “Spinder, zei hij: schieten” ‘

Hij had makkelijk praten…

‘Ja, hij zat boven’.

Is daar nooit eens een ongeluk mee gebeurd?

‘Wel bijna. Maar verder niet dat ik weet.
Ik was vijfenveertig toen ik het in de rug kreeg. Ik had een hernia. Ik denk ja, mijn kinderen zijn nog thuis, wat moet je nou doen? Ik naar de ingenieur. Hij: “Meneer Spinder ik heb je betaald voor dat en dat werk. Als jij ander werk wilt gaan doen dan schietmeester, dan krijg je daar ook naar betaald. Daar kon ik inkomen. Dus wat heb ik gedaan? Elke keer als ik niet kon werken dan bleef ik nèt geen maand thuis. En ging dan weer werken. Zo heb ik dat anderhalf jaar vol gehouden. Op een gegeven moment kon ik het bed niet meer uit. Het ging niet meer. En na een jaar kom je in de WAO terecht. Dat is toen gebeurd. Twee jaar later werd die mijn gesloten. Ik was eruit. Ik had daar geen last meer van. Ik had eigenlijk geluk. Dus vanaf mijn 45e heb ik niet meer gewerkt. 

Werkzaamheden in de pijler (Staatsmijn Emma)

Hoe kijk je terug op die tijd?

'Het was een ‘stürmische’ tijd. Het werk was zwaar. Maar het verdiende goed. Wat wij maakten, met zijn drieën, dat verdienden we ook. Als het gedaan was met het werk moest ik naar boven. Daar moest ik een lijstje invullen met wat ik gedaan had. De andere dag stonden daar dan punten onder van de ingenieur.’

Hoe meer punten, des te meer je verdiende?

‘Ja, ja. Je had ook weleens pech. Dat gebeurt overal. Je hebt geluk en je hebt pech.’

Was er veel verschil tussen de mijn in België en bijvoorbeeld de Emma?

‘Veel buitenlanders. Italianen, Marokkanen, Spanjaarden… van alles wat daar werkte. Wij waren gewend om afval op de transportband te gooien, dan werd het afgevoerd. Die lui gooiden, nou ja, dat waren varkens...
Uiteindelijk had ik een goed pensioen. Dat is door blijven lopen tot mijn 55e. Met 55 ging je officieel met pensioen.
Ik krijg uit België, uit Brussel, mijn pensioen. Dat is goed geregeld.

Jij bent voor iemand die veel in de mijn gewerkt heeft toch aardig op leeftijd… 83 jaar.

‘De meeste vrienden van mij zijn dood.’

Jij hebt, denk ik, zelf ook stoflongen.

Bij de laatste keuring, in België, bleek: ik had geen stof, ik had wel een aanzet tot stof. En hoe kwam dat? Ik was lid van de fanfare. Ik heb dertig jaar in de fanfare gespeeld, in de Harpe Davids. Ik begon daar toen ik van de mijn af was, rond 1978. Een oom van mij, Dirk Spoelstra, sloeg de dikke trom. Als hij moest werken dan nam ik die dikke trom over. Ze vroegen aan mij of ik trombone wilde spelen. De eerste trombonist, Nico van der Molen, kwam bij je thuis om les te geven. Omdat ik op die manier altijd actief was met mijn longen kregen ze de kans niet om ziek te worden.

Ik heb ook twintig jaar in het Rumpens mannenkoor gezongen. Een mooie hobby. Ik kon noten lezen, dus dat was geen probleem voor mij.’

Je komt uit een Friese familie, zowel van vaderskant (de Spinders) als van moederskant (de Spoelstra’s). Heb je nog een band met Friesland?

‘Nee. Helemaal niet. 

Wel gingen de kinderen uit het gezin Spinder-Spoelstra ’s zomers met vakantie naar Friesland. Broer Haye en zus Sjoukje logeerden bij pake en beppe Spoelstra, want daar waren zij naar vernoemd. Simen logeerde met zus Antje bij familie van de Spinders want daar waren zìj naar vernoemd.

‘Bij die familie (in Friesland) was het niet altijd even plezierig. Hij was best een aardige man. Zij was streng… moesten we weer in de blote kont naar buiten, dan kregen we klappen.'

Simen werd, evenals veel kinderen uit Friese gezinnen, gereformeerd opgevoed.

'En de kerk hè. De kerk. Ik dacht steeds als ik 16 ben ga ik naar de kerk wanneer ik wil. Ik vond het zo raar. De gereformeerden gingen elke zondag twee keer naar de kerk. De anderen, de hervormden, de Luthersen enz. die gingen allemaal maar één keer. Ze maakten onze hele zondag kapot. We moesten ook nog naar de zondagsschool of naar de jongelingenvereniging. Dus je zat de hele dag zo’n beetje in de kerk. Ik denk dat kan toch niet. En toen ik ondergronds ging werken dacht ik, ik ga me een beetje kapot werken en dan nog de hele zondag in de kerk zitten.’

Dat was niks voor jou.

‘Nee.’

“Wat je ook doet, niet naar de mijn”. Dat heeft jouw vader nooit gezegd, vermoed ik…?

‘O, jawel! Hij wou mij per se uit de mijn hebben. Op een gegeven moment had hij mij voor de marechaussee opgegeven. Toen kwam er een man aan de deur, meneer Flieks, die naderhand dirigent is geweest van ‘de Harp’. Maar ik had toen juist verkering gekregen. Dus ik had daar helemaal geen zin in. Ik ben er heen gereden, het was daar snik heet. Ik had een raam open gezet. Komt er zo’n kereltje binnen “Wie heeft dat raam open gezet?”.  Ik zeg “We gaan hier kapot man”. We moesten een soort examen afleggen, maar dat ging helemaal verkeerd. Ik wou niet meer. Het was van de baan. Ik wou bij mijn meisje zijn.’

 En dus werd hij mijnwerker.

---------------------------

1)            OVS staat voor ondergrondse vakschool. Jonge jongens konden via de OVS opgeleid worden tot vakbekwame mijnwerkers. Het eerste leerjaar speelde zich bovengronds af, er werd onderwijs gegeven in technische vakken en mijnbouwkunde. Ook werd er tijd besteed aan praktisch werk in een jeugdwerkplaats. Veel aandacht was er voor sport en spel en daarnaast leerde men vaardigheden van het soort zoals die ook wel bij de scouting worden aangeleerd: knopen leggen, oriëntatietochten en dergelijke. Dit om het improvisatievermogen te oefenen. Naast theoretisch onderwijs bestond het tweede leerjaar uit kennismaking met het mijnbedrijf en het uitvoeren van allerlei bovengrondse werkzaamheden, zoals het stapelen van mijnhout of het aanleggen van spoorrails, of men werd tewerkgesteld aan een leesband in de steenkoolwasserij. Ook ging men dat jaar voor het eerst de leermijn in, een nagebootste mijn die meestal in een steenberg was uitgehouwen. Daar bekwaamde men zich, onder begeleiding van ervaren mijnwerkers, in de ondergrondse werkzaamheden.

 

Naschrift: twee maanden nadat dit gesprek plaatsvond ontving ik het bericht dat Simen was overleden.

Bron foto Waterschei: Door Eebie - Eigen werk, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=76652844

 

 



 

donderdag 6 april 2023

Jan Bakker - Tussen twee culturen

Enige tijd geleden had ik een gesprek met Jan Bakker. Via via was ik hem op het spoor gekomen. Hij woont in Santpoort-Zuid, zo werd me verteld, maar heeft Friese roots en is opgegroeid in de mijnstreek in Limburg. Je begrijpt dat op zo’n moment mijn interesse is gewekt. Het lukte spoedig om een afspraak te maken.

In de loop van het gesprek wordt duidelijk dat we beiden zijn opgegroeid in Treebeek en slechts op een steenworp afstand van elkaar woonden. Jan is een jaar of vier jonger dan ik en het kan niet anders dan dat we elkaar weleens tegen het lijf gelopen zijn. De vaste route naar mijn (Gereformeerde) lagere school liep door ‘zijn’ straat. Aan weerskanten stonden prachtige platanen. In de herfst werden mijn broer en ik erop uit gestuurd om enkele jute zakken te vullen met de afgevallen bladeren, uitgerekend in dìe straat. De bladeren dienden als compost voor onze moestuin.

Logisch dat we niet van elkaars bestaan wisten, want tijdens onze jeugd waren de scheidingen tussen de ‘zuilen’ nog haast ondoordringbaar. Ging ik naar de gereformeerde lagere school, Jan ging naar de katholieke Sint Franciscusschool, ‘waar ook de meisjes en jongens nog gescheiden door een grote muur’ werden onderricht.

Sint Franciscusschool te Treebeek
Links voor de jongens, rechts voor de meisjes
                              

Jan blijkt te zijn vernoemd naar zijn opa, die 1900 in Friesland wordt geboren. Opa Jan en oma Neeltje zijn afkomstig uit Koudum. Opa is een keuterboer die wat probeert bij te verdienen door woelratten te vangen met hulp van een speciaal daarvoor getrainde hond. Oma is een boerendochter. ‘Mijn oma vertelde dat ze enorm de schurft hadden aan dat boerenwerk en met name dat vee. “Dan stond ik daar ’s ochtends om vijf uur die ouwe koeien te melken en dan waren er van die krengen bij die schopten de emmer om, net als hij bijna vol was.” Ze waren boerenzoon en boerendochter, maar ze werkten als knecht bij het opgroeien. Ze zagen geen toekomst voor zich in Friesland. Wel zagen ze toekomst in Limburg. Ze hadden een Fries netwerk in het zuiden: de Hoekstra’s, de Dijkstra’s. Ik heb geen idee hoe ze naar Limburg zijn gekomen.’

Gezin van herkomst

‘Mijn vader moest katholiek worden, want mijn moeder was katholiek. Ik ben later misdienaar geworden. Mijn moeder kwam uit Nuth. Dat waren echte boeren. Kleine boeren. En die gingen dan in de mijn werken. De Limburgse opa was portier op de Emma.’ Van de drie jongens uit dat gezin gingen twee niet naar de mijn, maar kregen elders een goede baan. Jan noemt die jongens ‘de goudhaantjes’ en ‘prinsjes’, want ‘de meiden daarentegen moesten werken, schrobben. Dat was zeer oneerlijk. Dat zag ik toen al. Dat had je aan de Friese kant niet. En ook de verhoudingen lagen anders. Mijn opa en oma (Friese kant) hadden nooit ruzie. Aan de Limburgse kant was mijn opa een goedzak en mijn Limburgse oma een kenau. Ze aten ook alleen ‘goede boter’, geen margarine. Die oma dronk ook zo’n gek drankje. Later kwam ik erachter dat het port was. Ze had kapsones. En ze sloeg ook. Ze sloeg mijn moeder toen ze klein was met een pook. Weet ik nog. Dat was aan de Friese kant niet. Niet om het goed te praten, maar het was anders.’

'Als kind kwam ik héél vaak bij mijn Friese opa en oma. Ik had een oma waar ik geen band mee  had. Dat was mijn Limburgse oma en een oma waar ik dol op was, mijn Friese oma. De oma van de koekoeksklok. Dan sliep ik naast die grote Friese vrouw, als opa werken was. Hij had ook vaak nachtdiensten. Mijn Friese oma was zeer kerkelijk. Iedere zondag naar de kerk. Protestant. Ze ging altijd naar die groene, houten kerk, onder aan de Steenberg, net over het spoor. Ze had veel steun aan de kerk. Er werd nooit geklaagd. Ze zou ook nooit terug willen gaan. Nooit werd er nostalgisch over Friesland gesproken.’

Het huis waar zij toen woonden staat er nog, vertelt Jan. ‘Ontzettend klein in mijn belevenis. Je had nog een toilet buiten. Totdat de tuin voor een groot deel overkapt werd. Toen was het toilet binnen. Ik weet nog dat daar een grote houten tobbe stond. Daar deed mijn oma de was in. En mijn oma was ontstellend sterk. Groot en sterk. Die pakte dan zo’n ketel met warm water en gooide die leeg in die houten tobbe met zo’n mechanisme en dan had ze een houten tang om het wasgoed eruit te halen en een wasbord en dan ging het door de wringer heen. Mijn oma had, denk ik, de handen vol aan het dagelijks bestaan. Want die mijnwerkerskleren waren akelig vuil. Daar kwamen dan nog de kleren van de kinderen bij.'


 
DSM Geleen

Schoolperiode

‘Ik was gewoon een braaf jongetje. Ik hield van lezen. Ik ging naar het gymnasium. Het was een tijd van de blowers en de zuipers. Ik behoorde tot de zuipers. Ik moest niks van blowen hebben.’

‘Ik was zeer geïnteresseerd in geschiedenis. Ik had een goede geschiedenisleraar. We hadden ook nog een beetje maatschappijleer. Maar we hebben het nooit gehad over de mijnsluiting! Never. Op dat hele gymnasium niet. En dat terwijl de periode dat ik er op zat ’65 – ’71 was. Nooit…, dat is toch merkwaardig. Nooit dat je bij Nederlands gevraagd werd een opstel erover te schrijven. Of over de sociale ontwikkelingen in jouw straat of… noem maar iets. Nee, we hadden het over Tacitus, over Ceasar, Vergilius.

Uitgedragen werd: “Jongens jullie zijn de beste. Wij zijn de beste.” En dat was ook zo. We hadden de beste leraar Engels, de beste geschiedenisleraar, de beste natuurkundeleraar. Ik denk dat het ook voor die leraren bevredigend was omdat die een gewillig oor vonden.

Toen ik wilde gaan studeren zei de hele familie "Nee, je gaat maar naar de mijn". Mijn vader was de enige die zei: "laat hem één jaar proberen".  Ik was de enige die naar de universiteit zou gaan, zowel van de Limburgse kant als van de Friese kant. Daar heb ik mijn vader altijd de credits voor gegeven. Ik ben geneeskunde gaan studeren in Utrecht. Het merendeel van mijn klasgenoten vertrok naar Nijmegen. Een katholieke enclave voor de Limburgers. Ik had echt genoeg van Limburg op dat moment. Ik ging in Utrecht geneeskunde studeren en was ongetwijfeld in die contreien blijven hangen, ware het niet dat mijn Limburgse vriendin, later mijn vrouw, weer terug ‘naar de mam’ wilde. Ik had haar in Limburg al leren kennen.’

Loopbaan

Jan Bakker moest in militaire dienst. Hij werd daar kazerne-arts van de koninklijke militaire school in Weert, waar beroepssergeanten werden opgeleid.

‘Ik viel daar als jonge dokter met de kont in de boter, want ik had opeens een eigen spreekuur, ik had een eigen polikliniek, een eigen ziekenzaal, een eigen fysiotherapeut. En daar was menselijk materiaal, zo te zeggen, die sergeanten. Die braken wat, die kneusden wat. Niet van die moeilijke diagnoses. Het draaide meer om het bewegingsapparaat. En dienstplichtigen, zoals de hofmeesters die vaak simuleerden om maar zo min mogelijk te hoeven doen. Dat is hun goed recht maar als dokter is dat uiteindelijk niet bevredigend.’

Hij twijfelde over de volgende stap. Misschien gynaecoloog, of toch maar huisarts…? Totdat hij zich realiseerde dat hij in zijn diensttijd eigenlijk bedrijfsarts was en dat dat iets was wat hem wel beviel. Die gedachte leidde tot een sollicitatie bij DSM, het bedrijf waar ook zijn vader en ooms vanuit de mijnen naartoe waren gegaan. ‘Zo’n groot bedrijf biedt de mogelijkheid om andere dingen te doen dan alleen dokter zijn. Ik ben ook projectleider geweest van een groot automatiseringsproject. Want in 1984 waren de fabrieken weliswaar gedigitaliseerd, maar de kantoren niet. Dus toen kwam eerst de loonadministratie aan de beurt, DSM-breed, de veiligheidsdiensten, de psychologische dienst, het maatschappelijk werk. Toen had ik ook een stropdas om. Ik was vertegenwoordiger van de medische dienst, maar al gauw was ik projectleider. Ik zat ineens in een heel andere tak van sport. Men vroeg of ik hoofd personeelszaken wilde worden. Nou dat heb ik toch maar niet gedaan.’

Als hij merkt dat de mijnartsen zo langzamerhand aan het verdwijnen zijn in verband met de mijnsluitingen, vat hij het plan op om de nog overgeblevenen te interviewen. In 1999 verschijnt de publicatie ‘De Verbandkamer – Geschiedenis van 80 jaar verbandkamers, longinstituten en Arbo-zorg in mijnbouw en petrochemie.’[i]

Na ‘scheidingsellende’ besloot Jan het roer om te gooien. Een sabbatical van een half jaar en een nieuwe liefde gaven de doorslag. Hij verhuisde naar Kennemerland en vond een baan aan de Vrije Universiteit in  de (arbeids)dermato-allergologie en in het AMC als beroepsziektespecialist (2003 tot 2019).

Fries of Limburgs?

Op mijn vraag of zijn opa en oma (pake en beppe) nog Fries met elkaar spraken antwoordt hij: ‘Als ze bij elkaar waren, ja. De kinderen hebben het niet overgenomen. Als ze alleen met de eigen kinderen waren spraken ze ook onderling Fries. Ik versta het wel een beetje. Het gekke is, bij mijn moeder thuis spraken ze Limburgs onderling. Altijd. Maar ik heb Limburgs leren spreken bij DSM. Want dan kwam daar zo’n oudere werknemer bij mij op het spreekuur…  “Och dokter ge hub,… och mog ik plat kalle?” Natuurlijk!  Dat geeft een vertrouwdheid. Dat maakt het makkelijker. Mijn vrouw kon horen wie ik op het spreekuur had gehad. Dat was dan weer een beetje Kerkraads, dan weer een beetje Maastrichts. Ik was net zo’n kameleon.

Ik heb me als jongen Limburger gevoeld, niet Fries, maar naar het eind, richting gymnasium, ging ik steeds meer ontdekken dat mijn aard eigenlijk meer richting Fries ging dan richting Limburgs. Ik hield niet zo van dat miemelen. Ik hou ook niet van zeveren. Ik ben meer van ‘loat goan, kom op, maak productie…’ Vond ook in de levenshouding van mijn Friese grootouders veel meer overeenkomst dan met die van de Limburgse kant. Aan de Limburgse kant zag ik hoe dingen niet uitgesproken werden, klaagzangen, het afzetten tegen. Daar werd heel anders gesproken dan aan de Friese kant. Wij gingen iedere zondagochtend lopend van Treebeek naar Hoensbroek naar opa en oma, naar heit en mem. Altijd. Alle kinderen kwamen daar. Dat was gezellig. En er werd gekaart: ‘kwajongen’ en ‘pandouren’, nou en of! De sfeer was daar compleet anders.’

Kwam Friesland wel eens ter sprake, op een verjaardag bijvoorbeeld?

‘Nee, oma nam een advocaatje, opa nam een vieux. Na twee borrels ging de kast op slot. En er werd gekaart. Ze vierden ook geen carnaval. De Limburgse familie wel. Mijn moeder is nog ‘prinses carnaval’ geweest. Voordat ik naar “Holland” kwam was ik ook wel een carnavalsvierder.’

Het verschil in cultuur was dus heel zichtbaar aanwezig binnen zijn familie.

 

 

 



[i] Aan de hand van enkele persoonlijke geschiedenissen zal ik later nog op deze publicatie terugkomen.


 

maandag 16 januari 2023

'Bûter, brea en griene tsiis… etc.' – deel 3 Heel anders dan in Friesland, vreemd allemaal

In de eerste aflevering beschreef Gerrit Bosch hoe hij ertoe kwam om op zoek te gaan naar zijn 'roots'. Het tweede deel ging over de carrière van zijn opa in Friesland en de verhuizing die daarop volgde naar Limburg. In deel 3, tot slot, vertelt hij het verhaal over de eerste kennismaking met de nieuwe omgeving en hoe het verder ging… 

 

Douvergenhout, januari 1920. Voor het bakkersgezin uit Ureterp stond de wereld op z’n kop. Alles was hier anders. De mensen spraken een rare, onverstaanbare taal, de huizen zagen er anders uit, het landschap was heuvelachtig en op de akkers reden vreemde boerenkarren met maar twee wielen die getrokken werden door ossen! Maar ook de paarden waren hier anders dan in Friesland - ze waren heel grof en plomp en hadden sokken. En de ledikanten op de slaapkamers waren geel geschilderd. Vreemd, heel vreemd allemaal! Opa stortte zich meteen op zijn nieuwe werk maar de kinderen gingen op ontdekkingsreis. Het was hier weliswaar vreemd maar het was ook spannend. Oma vond het allemaal niks, ze kon met niemand praten, ze werd er ongelukkig van en ze miste Friesland. Het vertrek uit haar geboortestreek, de reis en de nieuwe woonomgeving waren voor oma een bron van ellende. Ze kon de situatie niet aan en werd ziek en wilde terug naar heit en mem. Wekenlang was ze tot weinig in staat. Mevrouw Feits hielp het gezin en ving de kinderen op. Mijn vader en zijn één jaar jongere broer Dirk, respectievelijk 12 en 11 jaar oud, moesten helpen in het hoenderpark en tante Jo, nog maar net 9 jaar, hielp mee in de keuken. Hil en Jan waren nog maar 6 en 1,5 jaar. Wat zij deden weet ik niet. 

Douvergenhout, 1921 – Jan speelt op het erf van het hoenderpark

Opa werkte hard maar ontdekte al snel dat de eigenaar van het hoenderpark, de heer Dijkstra, een oplichter was. Hij werd geconfronteerd met bedrijfsschulden waar hij als compagnon nu medeverantwoordelijk voor werd gesteld. Samen met een werkloze onderwijzer die hij had ontmoet in de Gereformeerde kerk, meneer Hemmes, kocht hij na verloop van tijd meneer Dijkstra uit. Vervolgens ging het gezin wonen op de grote boerenhoeve van Hoenderpark Wilhelmina. Door deze aankoop stak opa zich in enorme schulden maar hij durfde het aan. Toen hij aan het eind van z’n leven in een rolstoel zat, reed ik ‘m zondags naar de kerk. Tijdens één van die kerkgangen zei hij: 'Ik wist dat ik het kon, ik vertrouwde op mijn kracht, maar die kracht kreeg ik van God'. Opa werkte harder dan hij in Friesland ooit had gedaan. Die dokter in Ureterp moest het eens horen! Om bij te verdienen ging hij ook weer bakken. ‘s Nachts ging hij op de fiets naar broodfabriek 'Ons dagelijks brood' in Heerlen om daar een volledige nachtdienst te werken. Na het werk fietste hij dan weer terug naar Douvergenhout. Mijn vader en oom Dirk zagen hem dan in alle vroegte ’s morgens op een bemodderde fiets aankomen. Zij waren vroeg uit de veren om de eieren in de broedmachines handmatig te keren. Opa ging vervolgens even slapen maar was aan het eind van de ochtend al weer beneden om zich met de klanten bezig te houden. Over klanten gesproken. Een deel van hen bleef plotseling weg. De pastoor had hen verboden om zaken te doen met die Friese meneer die zondags niet in zijn kerk zat. Toen opa al behoorlijk oud was hoorde ik dit verhaal en vroeg hem hoe hij dat had opgelost. Hij vertelde dat hij met de statenbijbel onder de arm naar de pastorie was gegaan en had aangebeld. De pastoor deed zelf open en opa vroeg mag ik binnenkomen? Dat mocht. Opa schijnt gezegd te hebben, ‘Kijk, ik heb de bijbel mee genomen, ik neem aan dat u dat boek kent. Kunt u mij misschien aangeven waar ergens in dit boek staat waarom uw parochianen niet bij mij mogen kopen’. Dat kon de pastoor natuurlijk niet maar er ontstond wel een gesprek, kennelijk een goed gesprek dat eindigde met een borrel en de belofte van de pastoor dat hij z’n parochianen zou vertellen dat Bosch van Hoenderpark Wilhelmina ook een Christen was, maar dan anders. In de daaropvolgende weken had opa al z’n klanten weer terug. Opa zag in dat hij het niet zou redden met de inkomsten van dit bedrijfje, ondanks de bijbaan in Heerlen. Oma ging weer naaien en handwerkles geven. Soms moest ze per fiets naar de school in Treebeek waar ze les gaf. Doodeng vond ze dat. In Friesland was alles ruim en overzichtelijk, hier niet, hier waren smalle en soms holle weggetjes. Als er een auto aankwam, stapte ze van de fiets. Bergafwaarts was gevaarlijk, dus stapte ze af. Bergopwaarts was te zwaar, dus stapte ze af. Haar kinderen staken de draak met haar. Het Hoenderpark had vooral raskippen zoals witte leghorns, patrijsleghorns, barnevelders en witte wyandottes. Maar ook eenden, ganzen, kalkoenen, pauwen, parelhoenders en fazanten. Er was een koe voor de melk en de boter. Er werd geprobeerd om kaas te maken, maar dat was geen succes, vooral niet met al die goeie Limburgse kazen in de buurt. Mijn vader molk de koe. Er was ook nog sprake van een paar varkens en er was een paard. Ik had dit alles graag eens gezien! Vooral voor de raskippen was rasvoer nodig. Dat betrok opa bij de firma P. Sluis uit Weesperkarspel.

1923, de eerste vrachtwagen met vlnr. Jan, meneer Hemmes, opa, Lieuwe en oma
Dat was een gespecialiseerde firma voor pluimvee en vogelvoer. Opa kocht daar goed in en betaalde steeds contant als de bestelling werd bezorgd. Op het kantoor in Weesperkarspel viel het op dat er één klant in het zuiden was die alles meteen betaalde. De meeste Limburgse bedrijven waren daar traag mee of moesten aangemaand worden. Toen opa door de directeur gevraagd werd om als tussenhandel op te treden voor de hele Limburgse regio onder Sittard greep hij die kans aan. Al in 1923 werd een vrachtwagen gekocht om het grote gebied te bevoorraden.

En de klanten kregen alleen hun spullen als ze handje contantje betaalden. Opa kon er met een glunderend gezicht over vertellen. Maar het bleef niet bij ‘ochtendvoer’. Toen de firma Sluis een koekfabriek overnam in Deventer, werd de firma Bosch en Hemmes ook voor dit bedrijf vertegenwoordiger. Er kwam een tweede vrachtwagen en al gauw ontstond er ruimtegebrek op de boerenhoeve in Douvergenhout. Opa en Hemmes zagen in dat er een beter geoutilleerde opslag nodig was en besloten hun jonge onderneming onder te brengen in een nieuwe behuizing. Het nieuwe bedrijf moest ook centraler in het toeleveringsgebied komen te liggen. En zo liet opa in 1925 een groot complex bouwen aan de Akerstraat in Hoensbroek. Vier grote woonhuizen en een magazijn met daarboven een kantoor. De huizen sloten het bedrijf als het ware in. Boven de poort was te lezen om welk bedrijf het ging : Bosch en Hemmes – Handel in Granen en Meel. De enige kippen die de familie Bosch overhield, scharrelden in een kippenren achter het huis.

1926, Akerstraat Hoensbroek

Het is dan 1926, zes jaar nadat Sijbe en Froukje met hun kroost uit Friesland zijn neergestreken in Limburg. Ik heb de ondernemerszin en de daadkracht van mijn opa en mijn vader en zijn broers altijd bewonderd. Maar hoe was dit alles voor oma. In de verhalen over mijn familie gaat het nagenoeg altijd over opa en dat is op z’n minst gezegd opmerkelijk. Froukje heeft er nooit een geheim van gemaakt dat ze Friesland miste. Sijbe en zij spraken dan wel geen Fries meer met elkaar, haar gedachtewereld was volgens mijn tante Jo nog heel vaak in haar geboorteland.

Ik heb mijn oma voornamelijk gekend als de lieve, stille, op de achtergrond blijvende vrouw. Ze heeft altijd achter haar man gestaan en heeft ‘m trouw gevolgd. Voor ons als kleinkinderen was ze de oma die goed kon breien. Ze maakte borstrokken voor ons en als we dat wilden soms een trui. Toen zij aan het eind van haar leven dementeerde kon ze plotseling zeggen. 'Zo, en nu moet ik naar heit en mem, we moeten naar huis anders wordt het te laat'. Tante Jo had een briefje voor haar neergelegd waarop stond 'We zijn thuis, we hoeven niet weg, blijf maar zitten'. Het briefje hielp niet. Oma werd 91 jaar. 51 jaar woonde ze in Limburg, bijna 40 jaar in Friesland, maar daar heeft ze haar hart achter gelaten. Ik vroeg haar als kind wel eens om iets in het Fries tegen me te zeggen. Dat deed ze dan met een glimlach. En zij kon het, zij kon zeggen: 'Bûter, brea en griene tsiis, wa't dat net sizze kin is gjin oprjochte Fries'. 

En opa’s bedrijf ? In 1932 hield Hemmes het voor gezien. Opa kocht hem uit. Lieuwe, Hil en Jan waren inmiddels oud genoeg om vennoot te worden en zo ontstond de firma S. Bosch & Zonen, een groothandel in levensmiddelen. Opa was de baas, mijn vader vertegenwoordiger en het gezicht naar buiten, oom Hil deed de financiën en oom Jan was verantwoordelijk voor de magazijnen en voorraden. Oom Dirk maakte geen deel uit van de firma. Opa had ooit bedacht dat deze tweede zoon de financiën voor het bedrijf zou gaan doen. Hij schreef hem in op de middenstandsschool in Heerlen, tenminste dat dacht hij. Na de eerste schooldag kwam Dirk thuis en zei dat het een HBS was. Mijn opa dacht even na en zei toen 'daar kan je ook leren rekenen'. Maar oom Dirk werd arts in Kampen. De nazaten van Sijbe en Froukje waaierden uit. De meesten verlieten Limburg en vestigden zich elders. Alleen mijn nicht Genoveva ging in Friesland wonen. Haar man werkte bij Staatsbosbeheer en was daar verantwoordelijk voor de schone, gezonde boslucht in die provincie. Opa had het eens moeten horen. 

Haarlem, 21 september 2022, Gerrit Bosch