Interview Frans Potma (geb.1936)
Afgelopen
najaar, tijdens een korte vakantie in mijn geboortestreek, was ik in de
gelegenheid om de 85-jarige Frans Potma te interviewen. Hij verhuisde op
12-jarige leeftijd, samen met zijn ouders en de andere kinderen van het gezin,
van het Friese Heeg naar Zuid-Limburg. Hij woont nu in Hoensbroek. Zijn zoon
opent de deur en leidt me naar de woonkamer. Hij staat op het punt naar zijn
werk te vertrekken, maar heeft nog even tijd voor een antwoord op mijn vraag:
Waaraan heb je gemerkt dat je een Friese
vader hebt? Eigenlijk heb ik daar niks van gemerkt. Alleen Friezen zitten wel
anders in elkaar: harder. Mensen uit het noorden zijn directer. Hij is
rechtlijnig, je weet gewoon wat je aan hem hebt. Als hij je niet moet dan zegt
hij het gewoon. Wij Limburgers zeggen niks. Maar hij zegt het wel. Dat is het
verschil. Of niet pap? Vader Frans antwoordt: Ik zeg hoe ik erover denk. En
dat moeten ze accepteren. Maar het is wel correct. Het is wel verantwoord. Als
je commentaar op iemand hebt moet het wel onderbouwd zijn. Je moet niet iets uit de duim zuigen. Tenminste... zo zie
ik het.
U bent getrouwd. Was zij een
Limburgse? Ja, zij was een Limburgse. Ik
heb een heel leuk, goed huwelijk gehad, en prachtige kinderen. Ik ben dik
tevreden met mijn leven. Hij (wijst naar zijn zoon) heeft karaktertrekken van
mij, maar ook eigenschappen van zijn moeder.
Wanneer bent u naar Limburg gekomen? In 1949. Ik was 12 jaar. 
Om welke reden zijn uw vader en moeder naar
Limburg verhuisd? De
reden was: we waren met 10 kinderen. 10 jongens. Die moesten allemaal te eten
krijgen. Mijn vader had goed werk. Hij was kaasmaker in de zuivelfabriek in
Heeg. Maar de kinderen moesten ook werk hebben. En dat was er toen in Friesland
niet. Ik was de achtste. De oudste is bij de marechaussee gegaan. De anderen
zijn toen naar Limburg getrokken. Mijn moeder had broers hier wonen die in de
mijn werkten. Die broers zeiden ‘Hier is werk genoeg, de mijnen’. Zodoende. Mijn
vader zag ook de noodzaak daar van in. In Friesland was armoede. In Limburg was
werkgelegenheid en er waren uitgebreidere mogelijkheden om te studeren.
Als Fries sprekend jongetje van 12 moest u
hier natuurlijk naar school? Wij kenden ook Hollands. Op school (in
Friesland) spraken we Hollands. We hadden ook een Hollandse schoolmeester.
Fries was de voertaal thuis. De kinderen op school spraken onderling Limburgs,
maar als ze tegen ons praatten, was het Hollands. Ik ben een half jaar nog op
de lagere school geweest in Brunssum. Daarna ging ik naar de ambachtsschool.
Waren uw ouders verbonden aan een kerk? Ja,
mijn ouders waren heel erg katholiek.
Hoe hebben jullie je hier
aangepast? Was dat nog lastig? Nee,
dat ging heel goed. Soms zeiden ze wel eens Friese stijfkop, maar over het
algemeen ging het heel goed. Als kind heb ik het verschil nooit zo ervaren. Of
het nu een Fries kind of Limburgs kind was. We hadden heel leuke vriendjes en
kennissen. Dat is allemaal reuze mee gevallen.
Hoe heeft uw familie achteraf
teruggekeken op die stap om naar Limburg te gaan? Positief. Mijn moeder zei
altijd ‘Ik ben blij dat we dit gedaan hebben’. Mijn vader had er eerst
problemen mee. Mijn moeder heeft het vooral doorgezet om naar Limburg te gaan.
Zij had hier zussen wonen en twee broers. Dat maakt veel uit. Op zondagmiddag
gingen we altijd op familiebezoek, naar de broers en zussen. Die band was heel
hecht. Mijn vader was een harde werker. Hij kwam hier bovengronds op de Emma[i]. Hij kon
niet meer ondergronds, daar was hij te oud voor. Dat wilde hij ook niet. Hij
was eigenlijk tegen de mijnen. In verband met de gezondheid ging hij
bovengronds werken. Hij trof daar een opzichter waar hij reuze goed mee kon
opschieten. Mijn vader was een vlijtige man. En een opzichter heeft graag
mensen die hun best doen. Hij werkte bij de sjouwerploeg. Ze waren met z’n
vieren. Waren er grote werkzaamheden, dan werd hun ploegje daar naar toe
gestuurd. Hij heeft het altijd met plezier gedaan. Als 15-jarige kon je naar de OVS. De ondergrondse vakschool. Dan
kreeg je al betaald. Toen was geld heel belangrijk. Dus voor mij viel
de keus op de OVS. Het eerste jaar was gewoon school. Net als een
ambachtsschool. Je leerde technische vaardigheden. Het tweede jaar werd je al
in het bedrijf ingedeeld. Als hulp werd je dan bij één of andere man gezet om
het vak te leren. Dat was tot 18 jaar. Je werd opgeleid tot mijnwerker. Met 17
jaar ging ik één dag ondergronds. Een
maand later werd het twee dagen. En zo verder zodat je met 18 jaar een
volwaardige mijnwerker was. Dat traject heb ik gevolgd.
Hoe is het verder gegaan, nadat
u de OVS had afgerond? Met
18 jaar werd je sleper, eerst nog hulpsleper, toen werd je hulphouwer en dan
houwer. Je kreeg dan meer betaald. Dat was het hoogste wat je kon bereiken als
gewone werkman. Ik ben schiethouwer geweest. Ik mocht met munitie werken. Ik
heb dat 14 jaar gedaan. Toen ben ik er mee gestopt. Ik zag de mijn niet meer zo
zitten. Ik vond het nooit prettig in de mijn.
Wat vond u niet prettig? Het werk zelf was hard. Maar ook... je zit
daar opgesloten in feite. Zodra je naar beneden ging dan zat je in een gat. Je
kon er alleen maar door de schacht weer uit. Ik vond het werk niet zo geweldig.
Je verdiende wel goed. Dat was voor veel mensen een motivatie om mijnwerker te
blijven. De verdiensten waren goed, maar het was ook weer afhankelijk van waar
je terecht kwam. Er werd gewerkt met ‘akkoorden’. Als je een goed akkoord had
en gunstige omstandigheden dan verdiende je nog meer.
Er
waren er ook die in minder gunstige omstandigheden zaten. Bijvoorbeeld veel
storingen, veel andere problemen. Dan verdiende je minder. Het basisloon was
toen achttien gulden twintig. Dat kreeg je toen. Maar als je een goede ploeg
had, dan had je vaak 10, 20 of 30 procent meer. Dan had je een heel goed salaris.
Met f 18,20 had je alleen maar het basissalaris, maar moest je net
zo hard werken. Dat was onrechtvaardig. Zo was er een behoorlijk verschil in
beloning. De gezondheid vond ik ook belangrijk om te stoppen. En in 1974 werden
de mijnen toch gesloten.
Wat bent u toen
gaan doen? Toen ben ik naar de autofabriek gegaan. In Born. Dat was eentonig
werk, lopende band werk. Ik was eerst bij het onderhoud: in de ‘lakstraat’, de
spuitafdeling. Daar ben ik twaalf jaar geweest. Ik had goed werk. Ik was daar
voorman en heb goed verdiend. Maar door omstandigheden ben ik daar weggegaan.
Via
een Nederlandse firma gingen we in Duitsland werken. Ik heb dat een jaar gedaan. Dat betaalde heel goed, ik verdiende het
dubbele van wat ik bij de Volvo kreeg.
Na
de mijn ben ik in Hoensbroek in het multifunctioneel centrum gaan werken. Dat
was een professioneel gemeenschapshuis. Ik was het hoofd van de vier
beheerders. Er was een school bij en een sporthal, een organisatie op het
gebied van maatschappelijk werk, een bibliotheek. Qua
verdiensten ging ik erop achteruit, maar dat had ik er wel voor over. Toen het van de gemeente over
ging in een stichting ben ik er weg gegaan. Ik ben toen in Heerlen terecht
gekomen bij de kunstafdeling, de stadsgalerij. Dat was prachtig werk. We
restaureerden, we richtten tentoonstellingen in, e.d.
Woonde er nog familie in Friesland? Een
grootvader, die leefde toen nog. Enkele broers en zussen van mijn ouders zijn
achtergebleven.
Bent u nog vaak
teruggegaan naar Friesland? Ieder
jaar! Voor vakantie en familiebezoek. Als er bepaalde activiteiten waren dan
gingen we naar Friesland. Daar sprak ik weer Fries. Ook in Limburg werd er
binnenshuis Fries gesproken.
Praat u nu
nog weleens Fries? Met
mijn broers sprak ik Fries. Er is nu nog maar één over waarmee ik Fries spreek.
Als we bellen: altijd Fries.
Als ik u zo
hoor praten, hoor ik toch wel een Limburgse tongval… Ik zou ook Limburgs
kunnen praten.
Hoe
heeft u uw vrouw leren kennen?
Op de danszaal. Wij gingen vroeger altijd op stap. Op zondag gingen we altijd
naar de danszaal. Dat was van vijf tot twaalf. We gingen naar dancing Bus[ii] in
Brunssum (Prins Hendriklaan). In Heerlerheide had je ‘Nationaal’. Daar gingen
we ook veel naar toe. In Schaesberg gingen we naar het ‘Streeperskruis’. Daar
speelden altijd de Regento Stars. Die van het nummer ‘Laila’. Je had ook de
White Stars en de Melody Mixers. De drie orkesten wisselden elkaar af. In
dancing Bus heb ik mijn vrouw leren kennen. Mijn vrouw kwam uit Hoensbroek.
Daar zijn we getrouwd en daar zijn we gaan wonen. We waren bijna zestig jaar
getrouwd. Twee jaar geleden is mijn vrouw overleden. De vriendschapsbanden
waren vroeger hechter. Intiemer. Ook door de mijnen. Iedereen werkte in de
mijnen of had een band met de mijnen. Dat was het centrale orgaan waar alles
om draaide vroeger. Allerlei bedrijven leverden aan de mijnen. De mijnen waren een bindende factor. Ja, overal waar je kwam, je kwam
altijd bekenden tegen. In de mijn werd weleens gevloekt en gescholden, maar als
ze naar boven gingen waren ze weer vrienden. In
het weekend was het altijd met een glaasje bier erbij. Maar je wist op tijd te
stoppen, want je moest ook weer werken.
Heeft u nog wel eens gesprekken
over Friesland, met bijvoorbeeld uw (klein)kinderen? Ja. ‘Och jij met je Friesland’,
zeggen ze dan. Ik heb nog heel veel herinneringen aan Friesland, omdat ik er tot
mijn twaalfde gewoond heb. Plus daarbij nog de tijd dat we daar met vakantie
naar toe gingen. We huurden altijd een boot, een kruiser. Mijn vrouw vond dat
ook geweldig. Het weer was niet altijd geweldig. Maar ja, mijn hart ligt nog
altijd in Friesland.
Welke mooie
herinneringen heeft u aan Friesland? We hadden de ruimte. De velden, de
weiden, het water. Bergen, daar geef ik niks om. Het water, dat is het. Het
water leeft. En dan de gemeenschap. Het was een dorpje. Je kende iedereen. Het
was geweldig. Mijn vader werkte op de kaasfabriek. Dan gingen we daar naar toe:
karnemelk drinken. We kregen altijd kaas. Als kinderen hadden we altijd honger.
Dan gingen we naar de fabriek. Daar kregen we een stukje kaas. Dat vergeet je
nooit. Ik had een vriendje die woonde
op een boerderij. Daar konden we prachtig in het hooi spelen. Daar heb ik nog vaak aan gedacht.
Limburg is anders. Limburg is ook mooi. Ook hier heb ik een prachtig leven gehad.
Het zijn hier ook gezellige mensen. De sfeer is nu wel even weg. Dat komt
misschien door de corona. Je merkt het bij de verenigingen. In mijn koor zijn
er nu nog een paar mensen die niet durven te komen. Die mis je dan. De
gemeenschap was vroeger, door de verenigingen, veel hechter. Op zondagmorgen
ging je naar de kerk en na afloop stond je dan met mensen te praten. Ik zie mijn
buren bijvoorbeeld nooit. Wat ze doen, waar ze zijn: ik weet het niet.
Het maakte nogal een verschil of je als
gereformeerde of als katholiek in Limburg kwam wonen. Als katholieke familie raakte
je gemakkelijker geïntegreerd als ik uw verhaal zo hoor. Ja,
daar ben ik het mee eens.
[i]
Staatsmijn, gelegen op de grens tussen Treebeek en Hoensbroek. De ingang was
aan de Akerstraat.