vrijdag 12 januari 2018

Friezen in de Limburgse politiek

De samenwerking tussen de (Limburgse) roomskatholieken en protestanten (doorgaans noorderlingen) ging niet van een leien dakje. Dat kwam o.a. aan het licht bij de vorming van het CDA. De anekdote in het vorige bericht vormt daarvan een illustratie. 
De samenwerking tussen de geloofsgroepen komt ook ter sprake tijdens een gesprek dat ik in april 2016 heb met Driek Portiek. Maar uit zijn verhaal blijkt ook dat er toen toch al lichtpuntjes te bekennen waren. 
Zo vertelt hij dat er in de Verlengde Wilhelminastraat een katholieke kerk stond (gebouwd in de jaren vijftig). Er was een actie op touw gezet om de kerk van een klokkenstoel te voorzien. Gerrit Spinder (mijn oom van gereformeerde huize) schroomde niet om mee te doen en geld in te zamelen voor de (katholieke) klokkentoren.
Oom Gerrit (oudste broer van mijn vader) zat, net als mijn vader, in de politiek. Hij was lid van de CDA-fractie van de gemeenteraad van Heerlen. Dat was in de tijd dat Driek Portiek fractievoorzitter was. Beiden, zowel oom Gerrit als Portiek waren/zijn van oorsprong Friezen. Meestal waren de naar Limburg getrokken Noorderlingen hervormd of gereformeerd. Driek Portiek vormt daarop een uitzondering: hij is van katholieke huize. 

Katholieken en protestanten in Friesland
Dries Portiek brengt zijn jeugd door in Friesland. En ook daar waren de verhoudingen tussen katholieken en protestanten niet altijd even gemakkelijk. Hij vertelt: 
`We zijn katholiek opgevoed. Tot je zesde jaar speelde je met gereformeerde en hervormde jongens. Zodra je naar de lagere school ging was het afgelopen. Over en weer riepen de kinderen elkaar na. Dan klonken liedjes als: Roomse papen, heilige schapen. Of: De gereformeerde reuzen met de lange neuzen die staan voor het hek met de appel in de bek. 
In Heeg was een dominee die sprak vanaf de kansel dat de gereformeerden niet bij de katholieke middenstand mocht kopen.`

Afkomst verbindt?
Ik zelf stond er overigens van te kijken dat mijn oom zo ruimhartig was voor de katholieken. Misschien heeft het geholpen dat fractiegenoot Dries Portiek ook van Friese komaf was…?



afbeelding: De kleine St.-Jan. Een schilderij van Harrie Leblanc. (kerkje bij de markt in Hoensbroek).

vrijdag 15 december 2017

Een Fries in de gemeenteraad van Brunssum


De plaats waar ik geboren ben haalde op 9 december jl. de voorpagina van de Volkskrant. 'Wat is daar aan de hand?', vraagt de krant zich af, omdat in de afgelopen periode Brunssum vaker in het nieuws was met minder fraaie berichten. Bij de recente berichten over de gemeenteraad staat de persoon van Jo Palmen centraal. Dat deed me denken aan mijn vader, die rond de jaren tachtig deel uit maakte van die gemeenteraad en uit zijn mond hoorde ik regelmatig diezelfde naam. De belevenissen van mijn vader rondom het raadswerk waren tussen hem en mij een geliefd gespreksonderwerp. In mijn herinnering kwamen diverse verhalen bovendrijven. Minstens één daarvan wil ik jullie niet onthouden.

Mijn vader zat aanvankelijk in de raad namens de ARP (de Anti Revolutionaire Partij). Een protestantse partij met gereformeerde wortels. Daarnaast was ook de protestantse CHU (Christelijk Historische Unie) vertegenwoordigd. Het waren minifracties vergeleken met de katholieken, verenigd in de KVP. In 1980 vond het historische samengaan plaats van de de drie genoemde partijen. Zij fuseerden tot het CDA, zoals we dat heden ten dage kennen. Voordat het zover was, is er heel wat water door de Maas, of - om dichter bij Brunssum te blijven - de Rode Beek, gestroomd. Het bekende t.v.programma `Andere tijden`, heeft er een fraaie aflevering over gemaakt, waarin gesteld wordt:
Het was een ingewikkelde opgave om de drie partijen organisatorisch op één lijn te krijgen, maar de grootste struikelblokken op weg naar het CDA waren toch wel de verschillen in mentaliteit en cultuur.
Dit ondervond mijn vader aan den lijve. Bedoelde verschillen deden zich in Brunssum extra sterk gelden omdat daar - in elk geval voor wat mijn vader betreft - ook nog het verschil in herkomst bij kwam. Het Friese karakter van mijn vader botste nogal eens met de Limburgse mentaliteit.
En dan nu het verhaal…

De nieuwe, gefuseerde fractie is voor het eerst bijeen voor een fractievergadering: een stuk of 9 (ex-)KVP-ers, overwegend autochtone katholieke Limburgers, waaronder genoemde Jo Palmen (toen nog lid van het CDA), 1 (ex-)CHU-er, 1 (ex-)CDA-er. De 2 laatstgenoemden behoren tot de 'import'-noorderlingen (Friezen en anderen afkomstig uit de noordelijke provincies). Het gaat er wat rommelig aan toe. Iemand van de oude KVP-fractie zit voor. Mijn vader ziet het enige tijd aan en vraagt dan het woord. Hij herinnert de aanwezigen eraan dat zij als christelijke partijfractie bijeen zijn en spreekt dan de woorden: 'Beginnen jullie niet met gebed?' Even valt er een doodse stilte. Dan wordt hij niet-begrijpend aangestaard. 
Het duurde wel even voor hij in die nieuwe fractie zijn draai gevonden had.
Zo zijn er meer voorbeelden, die mogelijk in latere berichten aan bod komen.

Beste lezer,

Herinner je je ook nog een leuk of interessant verhaal uit die tijd, van je vader, moeder of je opa, oma, waarin Friezen een rol spelen? Schrijf het op en stuur het naar sspinder@upcmail.nl . Je mag me ook vragen om je te bellen als wel wilt vertellen, maar er tegenop ziet om te schrijven (of er geen zin in hebt). In dat geval maak ik er wel een geschikt schriftelijk stukje van.

vrijdag 10 februari 2017

Gebrook is `nne sjoeëne sjtad




                                                                                                              Het is weer carnavalstijd in Limburg
Gebrook is `nne sjoeëne sjtad.
Nee, dit is geen Fries! Het is de eerste regel van een Limburgs carnavalslied en het betekent: Hoensbroek is een mooie stad. De tekst van het lied is gemaakt door… een Fries die in deze plaats woonachtig is. Ik heb hem al eerder voorgesteld: Driek Portiek. De melodie leende hij van een Fries lied. Een bijzondere prestatie van deze, oorspronkelijk uit Heeg afkomstige, ex-mijnwerker in hart en nieren. Het summum van integratie zou je zeggen. Begin jaren `50, op 17-jarige leeftijd van Friesland naar Zuid-Limburg verhuisd, een snelle carrière gemaakt in de mijn, maatschappelijk en politiek actief, getrouwd met een Limburgse…, kortom: helemaal zijn draai gevonden in het `katholieke zuiden`.

Zelf ben ik tijdens mijn kinderjaren opgevoed met het idee dat carnaval niks voor ons was, dat was iets voor de Limburgers, de roomsen, net als kermis en voetballen op zondag. Dat afzetten tegen carnaval was niet iets specifieks van ons gezin. De Gereformeerde kerk van Treebeek organiseerde begin jaren `60 nog anti-carnalvalsavonden om de jongeren uit de eigen gelederen toch vooral weg te houden van het Limburgse carnaval. Iets dat op den duur onhoudbaar bleek. In loop van de jaren `60 gingen die door de kerk georganiseerde avonden steeds meer lijken op carnaval volgens de Limburgse traditie. Voor de meeste Friezen (en andere noorderlingen) is carnaval nu een geaccepteerde zaak, maar dat heeft wel even zijn tijd nodig gehad.

Bij Driek Portiek ging dat kennelijk sneller. Bij zijn aankomst in Limburg kwam hij destijds in een gespreid bedje terecht. Er woonden al verschillende familieleden in de omgeving van Hoensbroek, die eerder de overstap naar het mijnwerkersbestaan hadden gemaakt. Èn hij was - anders dan de meeste noorderlingen - katholiek opgevoed. Mogelijk zijn dat factoren geweest die het invoegen in de Limburgse samenleving hebben vergemakkelijkt. Heeft hij Friesland nu zoveel jaar later achter zich gelaten en is hij een Limburger geworden? Tijdens het gesprek dat ik met hem heb, vraag ik of hij zichzelf meer als Limburger ziet of meer als Fries. Zonder aarzelen antwoordt hij onmiddellijk: Fries! 


Ken je ook een verhaal over Friezen (in Limburg) en carnaval?

Reageer!
-
Laat het me weten.


woensdag 4 januari 2017

Fryske Kriten

Al enige tijd ben ik op zoek naar informatie over Fryske Kriten, oftewel: Friese Kringen. Ik heb mijn ouders er wel eens over horen praten. Ik kan mij herinneren dat ze vertellen dat de Fryske Krite uit Geleen een toneelvoorstelling zal geven (uiteraard in de Friese taal). Het is volkomen duidelijk dat wij daar niet heen zullen gaan. Je voelt aan alles dat mijn ouders daar `niks mee hebben’. Pas heel veel later ben ik me gaan afvragen waarom dat was. Wij spraken thuis Fries. En niet alleen thuis, ook op familiebezoek, met onze pakes en beppes. Maar op ook maar het geringste chauvinisme t.a.v. Friesland heb ik mijn ouders nooit kunnen betrappen.
Bijgaande dichtregels weerspiegelen dan ook op geen enkele manier de houding van mijn ouders t.o.v. Friesland. 

Bern fan Fryslân
Anne Jousma

Wy sille altyd bern fan Fryslân bliuwe
wêr`t ek ús wegen liede op `e wrâld.
Wêr`t ús de winen en de seeën driuwe
dit jout ús libben en ús hert syn hâld.
[…]
Bern fan de smûke bosken yn de Wâlden,
dêr`t smelle wegen boartsje ûnder`t beamt.
De wyn strykt yn in marke stil syn fâlden
en flûst`ret yn de blêden, mearkefrjemd.
[…]
Wêr `t ûs de winen en de seeën driuwe,
dit jout ús libben en ús hert syn hâld.
wy wolle altyd bern fan Fryslân bliuwe,
fier of tichtby, oeral yn de wrâld.

Niet alle coupletten zijn hier weergegeven. Aan elke Friese streek is een couplet gewijd. Onze familie is afkomstig uit `de Wâlden’. 
In het al eerder aangehaalde artikel `Ondergrondse Friezen`(Leeuwarder Courant van 22 december 2012, zie een eerder bericht op deze blog) lees ik:
”Tetman de Vries die voor zeshonderd dolenthousiaste Friezen zijn populaire programma’s speelt in een zalencentrum in Hoensbroek. Het is nu moeilijk meer voor te stellen, maar in de jaren vijftig en zestig gebeurde het geregeld. Een stuk of zes Fryske Kriten hielden in de mijnstreek van Limburg de herinneringen aan het heitelân warm bij liedjes en sketches en onderlinge gesprekken in de memmetaal.”
Dit speelt zich af op een steenworp afstand van waar wij wonen. Nooit zijn we bij een dergelijke voorstelling aanwezig.
Het citaat prikkelt mijn nieuwsgierigheid naar het fenomeen Fryske Kriten. Tot mijn teleurstelling kan ik er aanvankelijk bitter weinig over vinden. Tot ik op een dag stuit op de titel: Friezen yn `e Frjemdte, ondertitel: In skiednis fan Friezen om utens. Ik kan het tweedehands op de kop tikken
Het blijkt een boek uit 2011, formaat statenbijbel, 770 pagina’ s, drieëneenhalve kilo papier, vergezeld van een DVD en, warempel, daarin een heel hoofdstuk gewijd aan Fryske Kriten in Zuid-Limburg.
Volgende keer iets meer hierover.


Wat mijn ouders betreft blijft het een raadsel, wel de Friese taal, maar niet de Friese cultuur. Een antwoord zal wel nooit komen.

(wordt vervolgd)

OPROEP
Wie weet meer te vertellen over de Fryske Kriten in de Oostelijke Mijnstreek? Ken je iemand die er meer van weet? Laat het mij weten. Dat stel ik zeer op prijs.

dinsdag 12 juli 2016

Op bezoek bij Driek Portiek

Speurend naar verhalen over Friezen die naar Limburg zijn vertrokken kom ik een artikel tegen met de titel `Ondergrondse Friezen`. Het is gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 22 december 2012. De
schijnwerpers worden in dat artikel gericht op de in Hoensbroek wonende Driek Portiek (82 jaar). 
Tot nu toe staan in deze blog Friezen centraal die in het begin van de twintigste eeuw (zo rond 1920) aangetrokken werden door de werkgelegenheid die de mijnen in Zuid-Limburg boden. De vraag naar voldoende en geschikte arbeidskrachten stond met regelmaat hoog op de agenda van de mijndirecties. Enkele jaren na de beëindiging van de tweede wereldoorlog is dat ook weer het geval. De gezamenlijke mijnen zetten ondermeer in Friesland een wervingscampagne op touw. Via advertenties en affiches met slogans als `Emigreer  in eigen land, er ligt een rijke toekomst in de Nederlandsche mijnen’, `Een nieuwe toekomst - een goed bestaan’, etc. probeert men Friezen te bewegen naar het zuiden te vertrekken.
In het betreffende artikel wordt de Leeuwarder Courant van 12 december 1951 aangehaald: „Voor `een vrij groot aantal` belangstellenden spreekt in Heerenveen de heer Huskes van de Staatsmijnen over het royale aanbod van banen in Limburg.”
De zeventienjarige Driek vertrekt in 1952 naar Limburg. Daarmee treedt hij in de voetsporen van een aantal familieleden, broers en zussen van zijn moeder, die hem al in de jaren dertig waren voorgegaan.
Het eerder genoemde artikel over Driek Portiek maakt me nieuwsgierig en ik besluit hem te bellen met de vraag of we elkaar kunnen spreken. De naam Spinder is hem niet onbekend. Onmiddellijk somt hij de namen op van de mijnwerkers uit mijn familie: Gerrit (mijn oom), Geert (vader), Thijs (oom), Siemen, de oudste zoon van Gerrit. Gerrit kent hij het beste. Met hem heeft hij deel uit gemaakt van de CDA-fractie in de Heerlense gemeenteraad (rond 1980).
De afspraak is gauw gemaakt.
Ik bel aan op het opgegeven adres. Een grote man verschijnt in de deuropening. Hij verwelkomt mij met een stevige handdruk. Ik spits mijn oren, er klinkt koormuziek. `Ik heb het Workummer mannenkoor opgezet.’ Driek Portiek heeft een zuidelijke tongval, maar als hij de namen van mijn vader (Geert) en oom (Gerrit) uitspreekt hoor ik toch geen `zachte g`. Zijn `g` klinkt nog altijd Fries (dat is zoals de Fransen de `g` uitspreken in bijvoorbeeld het woord `garçon`). Hij loodst me naar een kamer om mij plaats te laten nemen aan een tafel waarop twee kopjes klaar staan, geflankeerd door een schoteltje met een stukje Limburgse vlaai. Op weg daarheen zie ik in mijn ooghoeken een tijdschrift liggen over Heeg. In de hal hangt een afbeelding van een skûtsje. Het kan niet anders dan dat je hier bij een Fries binnenstapt!
Er volgt een geanimeerd gesprek. In berichten die later volgen zal ik daar meer over vertellen. Wie nu al meer wil weten over deze bijzondere man kan terecht op de website van `de mijnen’.



donderdag 9 juni 2016

Een noodwoning op de Steenberg


        De schacht van de staatsmijn Emma

(Mijn pake) Siemen Spinder was een ongeduldig type. Vanuit Friesland is hij eerst alleen naar Limburg vertrokken. Dat was om de boel te verkennen en om werk te zoeken. Daartoe verbleef hij een aantal maanden in een Gezellenhuis. Hij vond werk bij de staatsmijn Emma. Hier kon hij bovengronds aan de slag als machinebankwerker. De woningnood was groot in die tijd (omstreeks 1928). Het was dan ook lang wachten vooraleer aan de beurt te zijn voor een woning. Dat duurde hem allemaal te lang. Daarom liet hij de rest van het gezin overkomen, zonder al over een woonplek te beschikken. Hij stationeerde toen het gezin (moeder met vier kinderen) bij het hek van het woningbureau van de Emma aan de Akerstraat, ging zelf naar binnen en vroeg de betreffende ambtenaar naar buiten te kijken. `Zie je die mensen daar? Dat is mijn gezin. We hebben nù woonruimte nodig.` Na de nodige tegenstrubbelingen (dat kon toch zomaar niet ….) werd hen toen een noodwoning op de Steenberg (Hoensbroek) toegewezen.

Enige achtergrondinformatie over de noodwoningen
Over het type noodwoning waar mijn pake en beppe in eerste instantie in terecht kwamen vond ik meer informatie op de site van `De Mijnen`:
In de jaren 1918 tot en met 1921 bouwde Staatsmijnen niet minder dan 718 van dergelijke woningen. Die noodwoningen waren des te harder nodig. Immers in 1914 had Staatsmijnen de mijn Emma en in 1918 de mijn Hendrik in bedrijf genomen. De “levensduur” werd bepaald op zo’n tien tot vijftien jaar. Maar vaak stonden die noodwoningen er tientallen jaren. Bijvoorbeeld de zogenaamde Steenberg-woningen in Hoensbroek (Mariagewanden). Het zou hier nog tot in de jaren 1960 duren alvorens die noodwoningen aldaar onder de slopershamer kwamen.

Fragment uit:
bron: Sjef Maas, Mijnwerkerswoningen
http://www.demijnen.nl/collectie/interview/mijnwerkerswoningen

Overigens ken ik die wijk niet anders dan de `Steenberg`. Toch werd de naam van die buurt al in 1949 officieel herdoopt in Mariagewanden. Deze aanduiding is bij mijn weten thans het meest gangbaar.

Hoewel ikzelf in Treebeek ben opgegroeid in de jaren `50 -`60 wist ik van het bestaan van de winkel van de kruidenier Scholten op de Steenberg. Zij waren, net als wij, gereformeerd en lid van de gereformeerde kerkgemeenschap in Treebeek. Ze hadden een rijke kinderschare, waaronder een tweeling, twee meisjes. Deze waren ongeveer mijn leeftijd en op de lagere school waren we klasgenoten. Heel wat gereformeerde Friezen uit de wijde omgeving behoorden tot de klandizie van winkelier Scholten.




Prico (Prins en Co), de winkel van de familie Scholten op de Steenberg. De familie Scholten runde lange tijd de buurtwinkel De Prico (Prins en co) in de Hubertusstraat 33-35. Het was een typische buurtwinkel waar men voor bijna alles terecht kon. Zelfs nadat de winkel gesloten was kon men nog vlug even achterom iets kopen dat overdag vergeten was. 's Zondags echter kon dit niet omdat de gereformeerde vader Scholten de zondagsrust daarvoor te belangrijk vond.
Zie ook: http://mariagewanden.nl/nl/geschiedenis





De Akerstraat in 1917, vlak voor de aanleg van de tramlijn. Deze liep na de aanleg in 1918 over een onverharde weg. Een zodanig belangrijke verbindingsweg, die langs de Emma liep waar toen al bijna 10jaar een bedrijf lag waar ruim 2000 mensen werkten, was toen nog niet eens beklinkerd. De tramlijn liep van Heerlen naar Sittard met een aftakking naar Brunssum.
bron: http://www.sdhc.nl/os-gebrook/ontstaan-van-gebrook/

woensdag 13 april 2016

Emigreren om gezondheidsredenen

Beste lezers van mijn blog. 
Tot nu toe heb ik zelf steeds de teksten voor mijn blog geschreven. Verhalen van horen zeggen of gebaseerd op door mij afgenomen interviews. Ik ben heel blij nu een tekst te kunnen presenteren die door een ander is geschreven. Centraal staat een persoon die voor velen in Treebeek, Hoensbroek en omstreken bekend was. Er komen verschillende thema`s aan bod. Lees en geniet van dit mooie verhaal!

Mijn opa
Opa was een man van weinig woorden. Hij was een doener, geen prater. Wat ik over mijn opa hier te vertellen heb, weet
ik uit mijn eigen beleving of uit de verhalen van anderen. Mijn opa was een Fries uit Ureterp, Siebe Bosch genaamd. Het moet omstreeks 1919 zijn geweest dat hij met zijn hele gezin uit Friesland vertrok om een nieuw leven op te bouwen in het verre zuiden. Althans in die tijd waren dat hele afstanden, de eerste emigraties. In Friesland had hij diverse beroepen uitgeoefend, die hij telkens ook weer opgaf om iets anders te beginnen. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn tijd ver vooruit was, een echte flexwerker. De diversiteit van die vele ambachten was groot. Waarom hij steeds wisselde van beroep is me nog steeds een raadsel. Voldeed hij aan het gezegde: twaalf ambachten, dertien ongelukken? Ik weet het echt niet. De laatste twee ambachten waren die van binnenschipper en bakker. Wat ik wel weet is waarom hij met dat laatste vak gestopt is. Opa was astmatisch en had stoflongen opgelopen in de bakkerij. Op advies van zijn huisarts vertrok hij naar het zuiden van het land, dat zou een gezonder omgeving zijn. Hij was niet de enige Fries die naar Zuid Limburg vertrok. De meeste Friezen kozen de steenkolen. Limburg was in die tijd een snel opkomend wingewest, de mijnindustrie. Daar viel juist een goed betaalde boterham aan te verdienen. Mijn opa daarentegen vertrok naar het ongewisse. Hij wilde van zijn stoflongen af. Maar opnieuw koos hij weer helemaal voor zichzelf, om iets moois bovengronds op poten te zetten. Met de professionele garantie van schone lucht. Weg stoflongen!
Ik ken opa als een echte gezinsman, waar hij zich volledig voor inzette. Daarnaast, vooral toen hij het maatschappelijk gemaakt had, was hij er ook altijd voor zijn zaak, hij was grootgrutter geworden. Ik ken opa vooral uit de tijd dat hij al aan het rentenieren was. Drie van zijn zonen runden zijn zaak verder: Fa. S. Bosch & Zonen, Groothandel in Levensmiddelen, stond er in kolossale letters boven de poort van het magazijn. Mijn opa was een gereformeerde Fries. De vele Friezen die naar het zuiden trokken, waren sowieso merendeels gereformeerd. In heel Limburg waren er in de vijftiger/zestiger jaren slechts zeven gereformeerde kerken. Onze kerk was de Gereformeerde Kerk in Treebeek. Onlangs zag ik het logo van de kerk: een mijnlamp doorklieft de Gereformeerde cirkel. Gereformeerd en mijnindustrie hoorden daar blijkbaar bij elkaar. Natuurlijk was de oorspronkelijke Rooms Katholieke bevolking ook aan al die kolenmijnen verbonden. De Gereformeerden vormden daarbinnen als het ware een soort enclave in dit Roomse bolwerk. Het groen geverfde houten noodkerkje vormde het middelpunt van al die Friese emigranten. Allochtonen zouden ze nu genoemd worden. Als zakenman en ondernemer zette mijn opa zich enorm in om uiteindelijk een groot stenen gebouw als kerk te kunnen realiseren. Tot het laatst toe heb ik mijn opa  actief meegemaakt. Hij was ook altijd druk in de weer voor zijn kerk. Zijn garage lag volgestapeld met oud papier voor diezelfde kerk. Zijn auto paste er soms niet eens meer in.  
Waar de meeste Friezen in deze Roomse wereld hun plek als mijnwerkers wel vonden, daar werd deze beginnende ondernemer bepaald niet met open armen ontvangen. Opa begon met een kippenfarm, een hoenderpark zoals dat heette. Dit bedrijf moest kippen en eieren opbrengen, en zo voldoende te eten en drinken voor het hele gezin. Maar ´eieren koop je niet bij de duivel´ werd er vanaf de kansel door meneer pastoor verkondigd. Maar zoals dat gaat, zelfs toen al, luisterde niet iedereen meer naar deze pastoor. Dat moet wel haast zo gegaan zijn, want het hoenderpark floreerde. Opa kwam weer in contact met Sluis, Meel & Granen. Als bakker was dit bedrijf hem niet onbekend. Zijn ondernemingsgeest was helemaal wakker geworden: waarom niet in het groot? En zo werd het al gauw P. Sluis: Pluimvee & Veevoeder en Gros, gesponsord èn bevoorraad door diezelfde P. Sluis en breed uitgeschreven op opa’s
vrachtwagen. Een compagnon werd tijdens deze rit rap uitgekocht toen het bedrijf groter en groter werd. Last van een hel en verdoemenis predikende dorpspastoor was er niet meer bij. De zaken gingen hem zo voor de wind, dat er een groot huis, annex magazijnruimtes aan weerszijden, gebouwd werden, op een gunstige plek als uitvalsbasis langs de Akerstraat, de verbindingsweg tussen Heerlen en Sittard. Zelf ken ik mijn opa meer uit de tijd dat hij al rentenierde, toezicht hield op het reilen en zeilen in het magazijn, op zijn manier wel te verstaan. Klein en gezet van gestalte, was het een vrolijke joviale man met priemende pretoogjes. Al kon hij heel lastig zijn en zich makkelijk met andermans zaken bemoeien. Hij hield van vrouwen, maar zijn gereformeerde geloof hield hem netjes op het gebaande pad. Hij bleef tot het einde toe de pater familias. Hij versmaadde een borrel niet, maar moest dat verborgen houden voor oma. Naast het grote huis waarin hij woonde bevond zich een hotel-restaurant. Daar haalde hij voor het middageten eerst zijn neut, zonder dat oma daar iets van af wist, waarna het middageten kon worden opgediend. Pas na zijn dood  hoorde ik dat hij ook dol was op suiker.  Alles wat zoet was en onder zijn bereik kwam, werd in het geniep genuttigd, ondanks zijn diabetes. Suiker heette dat toen in bedekte termen. Ons magazijn had ook een snoepafdeling. Dat moet voor hem dus een glimpje hemel op aarde geweest zijn, in afwachting van het hemelse hiernamaals. Die suikerverslaving heeft hem de das om gedaan: zijn linker voet was in een vergevorderd stadium aangetast. Maar hij bleef het verwaarlozen. Uiteindelijk moest zijn hele been geamputeerd worden. Dat overleefde hij in zijn rolstoel niet meer. Binnen een jaar overleed hij op 86-jarige leeftijd. 
Ik heb dierbare herinneringen aan mijn opa, ook al stond zijn godsbeleving in die allerlaatste jaren, dat  ik hem nog heb mogen meemaken, mijlen ver af van de mijne. Zo was zijn grootste genoegen, als ik bij hem en oma op bezoek kwam, om op de klagende psalmenpomp, aangeblazen door mijn voeten, letterlijk dus van onder naar boven, het ‘Er ruist langs de wolken’ uit Johannes de Heer eruit te persen. Dan neuriede hij zachtjes die melancholische melodie mee onder de begeleidende woorden die oma erbij zong, zittend aan de andere kant van de haard. Opa was toch ook wel een Bourgondiër, maar ingekapseld en gekneveld door het Calvinisme heeft hij er helaas niet met volle teugen van mogen genieten. Hij had zich duidelijk niet geïntegreerd in zijn Bourgondische omgeving. Hij bleef tot zijn laatste snik een geëmigreerde gereformeerde stramme Fries. In mijn eerste jaar van mijn studie in Amsterdam kwam ik eenmaal in de maand naar het ouderlijk huis, gebouwd door mijn opa, bewoond door mijn ouders tot aan hun dood. Het bleef voor altijd ‘ons thuis’. Het waren de hoogtijdagen, vooral met Kerst, Pasen en Pinksteren. Ik bedacht me net op tijd dat ik van mijn beide grootouders nooit een echte portretfoto gemaakt had. Op die allerlaatste Pasen voor hem, in mijn eerste studiejaar, ging ik uitgebreid ‘op de koffie’ bij opa en oma. Ik nam er ook de tijd voor. Echt exposeren voor een foto leek me niets. Ik wilde een foto van opa zoals hij echt was, genietend van een drankje en zijn eeuwige sigaar. Kenmerkend  trok hij aan zijn bolknakker, af en toe nippend aan zijn glaasje Bols-jenever. Op de zon- en feestdagen was dat bij oma toegestaan. Hij genoot ervan. Het werd de laatste keer dat ik hem in levende lijve zag. In het erop volgende Pinksterweekend, tijdens het feest van de Heilige Geest, begaf opa ten slotte zijn geest. Wat was ik blij hem nog één keer te hebben kunnen fotograferen zoals hij echt kon zijn: vriendelijk, maar nu ook berustend, ontspannen, met zijn stropdas losjes gestrikt, en intens zuigend aan zijn dierbare sigaar. Het was één van de weinige levensgeneugten die Calvijn hem blijkbaar nog net toestond.
Joop Bosch, Den Haag, 7 april 2016