zondag 4 februari 2018

Treebeek in de jaren `50

R.K. Kerk te Treebeek

Van jongs af aan ben ik vertrouwd geraakt met mensen in hokjes in te delen. Dat is bepaald niet iets waar ik trots op ben. Toch werd ik me daar weer eens sterk van bewust toen ik de film ’Treebeek 1950-1955’ zag. De film brengt allerhande soorten bewoners van Treebeek in beeld. Als we het bij ons thuis of in bredere familiekring over andere mensen hadden dan werden die steevast aangeduid met ’die Hervormden’, ’die van de Baptistenkerk’, ’die kinderen van de Nutsschool’ (dat waren mensen die ’nergens aan deden’), ’O ja, die roomsen’, ’die van onze (Gereformeerde) kerk’, etc.

(Voormalige) Gereformeerde kerk te Treebeek
Treebeek, hoe onbekend en gering van omvang ook, was een afspiegeling van de gehele Nederlandse, sterk verzuilde, samenleving, getuige het nu volgende citaat van Wiel Kusters (1):
’De protestantse mijnwerkers (2) kwamen vooral uit Groningen, Friesland, Drenthe en de Gelderse Achterhoek. De godsdienstige diversiteit was in sommige van de nieuw gebouwde koloniën groter dan in de oude dorpskernen. Zo telde Treebeek rond 1960 tien kerkgenootschappen. Ongeveer 35% van de bevolking was van protestantse huize, 5% was niet kerkelijk. Voor Limburgse 
begrippen was dit iets bijzonders. Er woonden Nederlands-Hervormden en Gereformeerden, er was een Hersteld Apostolische en een Evangelisch-Lutherse Kerk, een Baptisten- en een  
Pinstergemeente. Verder kwam men er Jehova’s getuigen tegen en soldaten van het Leger des Heils.’

Ned. Hervormde kerk te Treebeek 
De genoemde film laat een en ander van die verscheidenheid zien. Zo tonen de filmbeelden de St. Franciscusschool (katholieke jongens), St. Clara (voor de roomse meisjes), De Beatrixschool (Hervormd), De Nutsschool (neutraal), de Gereformeerde school. 
De film was voor mij een feest der herkenning. Ik zag meerdere van mijn onderwijzers van de lagere school. Meester Mulder (bijgenaamd Pukkie) en meester bijgenaamd Tetsel (zijn echte naam daar kan ik nu even niet opkomen) zag ik bokje springen op het schoolplein. Mijn broer Hans, toen een jaar of zeven/acht stond in een kring bij één of ander spel.
Mijn juffrouw van de kleuterschool zag ik terug bij de beelden van de Prinses Marijkeschool (protestants). Verder zien we de fanfare van de Baptisten, genaamd De Bazuin. Dirigent Albert Niemijer (afkomstig uit Groningen) slaat de maat.
Ik zou zeggen: bekijk de beelden. Ben je zelf in deze contreien opgegroeid in de jaren`50 tot`60 dan herken je vast ook oude bekenden.

De link naar de Treebeekfilm is:




(1) Kusters, Wiel (2012), In en onder het dorp. Mijnwerkersleven in Limburg. Wiel Kusters, Maastricht en Uitgeverij Van Tilt Nijmegen.
(2) Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat de Friezen de grootste groep vormden.
Baptistenkerk te Treebeek

vrijdag 12 januari 2018

Friezen in de Limburgse politiek

De samenwerking tussen de (Limburgse) roomskatholieken en protestanten (doorgaans noorderlingen) ging niet van een leien dakje. Dat kwam o.a. aan het licht bij de vorming van het CDA. De anekdote in het vorige bericht vormt daarvan een illustratie. 
De samenwerking tussen de geloofsgroepen komt ook ter sprake tijdens een gesprek dat ik in april 2016 heb met Driek Portiek. Maar uit zijn verhaal blijkt ook dat er toen toch al lichtpuntjes te bekennen waren. 
Zo vertelt hij dat er in de Verlengde Wilhelminastraat een katholieke kerk stond (gebouwd in de jaren vijftig). Er was een actie op touw gezet om de kerk van een klokkenstoel te voorzien. Gerrit Spinder (mijn oom van gereformeerde huize) schroomde niet om mee te doen en geld in te zamelen voor de (katholieke) klokkentoren.
Oom Gerrit (oudste broer van mijn vader) zat, net als mijn vader, in de politiek. Hij was lid van de CDA-fractie van de gemeenteraad van Heerlen. Dat was in de tijd dat Driek Portiek fractievoorzitter was. Beiden, zowel oom Gerrit als Portiek waren/zijn van oorsprong Friezen. Meestal waren de naar Limburg getrokken Noorderlingen hervormd of gereformeerd. Driek Portiek vormt daarop een uitzondering: hij is van katholieke huize. 

Katholieken en protestanten in Friesland
Dries Portiek brengt zijn jeugd door in Friesland. En ook daar waren de verhoudingen tussen katholieken en protestanten niet altijd even gemakkelijk. Hij vertelt: 
`We zijn katholiek opgevoed. Tot je zesde jaar speelde je met gereformeerde en hervormde jongens. Zodra je naar de lagere school ging was het afgelopen. Over en weer riepen de kinderen elkaar na. Dan klonken liedjes als: Roomse papen, heilige schapen. Of: De gereformeerde reuzen met de lange neuzen die staan voor het hek met de appel in de bek. 
In Heeg was een dominee die sprak vanaf de kansel dat de gereformeerden niet bij de katholieke middenstand mocht kopen.`

Afkomst verbindt?
Ik zelf stond er overigens van te kijken dat mijn oom zo ruimhartig was voor de katholieken. Misschien heeft het geholpen dat fractiegenoot Dries Portiek ook van Friese komaf was…?



afbeelding: De kleine St.-Jan. Een schilderij van Harrie Leblanc. (kerkje bij de markt in Hoensbroek).

vrijdag 15 december 2017

Een Fries in de gemeenteraad van Brunssum


De plaats waar ik geboren ben haalde op 9 december jl. de voorpagina van de Volkskrant. 'Wat is daar aan de hand?', vraagt de krant zich af, omdat in de afgelopen periode Brunssum vaker in het nieuws was met minder fraaie berichten. Bij de recente berichten over de gemeenteraad staat de persoon van Jo Palmen centraal. Dat deed me denken aan mijn vader, die rond de jaren tachtig deel uit maakte van die gemeenteraad en uit zijn mond hoorde ik regelmatig diezelfde naam. De belevenissen van mijn vader rondom het raadswerk waren tussen hem en mij een geliefd gespreksonderwerp. In mijn herinnering kwamen diverse verhalen bovendrijven. Minstens één daarvan wil ik jullie niet onthouden.

Mijn vader zat aanvankelijk in de raad namens de ARP (de Anti Revolutionaire Partij). Een protestantse partij met gereformeerde wortels. Daarnaast was ook de protestantse CHU (Christelijk Historische Unie) vertegenwoordigd. Het waren minifracties vergeleken met de katholieken, verenigd in de KVP. In 1980 vond het historische samengaan plaats van de de drie genoemde partijen. Zij fuseerden tot het CDA, zoals we dat heden ten dage kennen. Voordat het zover was, is er heel wat water door de Maas, of - om dichter bij Brunssum te blijven - de Rode Beek, gestroomd. Het bekende t.v.programma `Andere tijden`, heeft er een fraaie aflevering over gemaakt, waarin gesteld wordt:
Het was een ingewikkelde opgave om de drie partijen organisatorisch op één lijn te krijgen, maar de grootste struikelblokken op weg naar het CDA waren toch wel de verschillen in mentaliteit en cultuur.
Dit ondervond mijn vader aan den lijve. Bedoelde verschillen deden zich in Brunssum extra sterk gelden omdat daar - in elk geval voor wat mijn vader betreft - ook nog het verschil in herkomst bij kwam. Het Friese karakter van mijn vader botste nogal eens met de Limburgse mentaliteit.
En dan nu het verhaal…

De nieuwe, gefuseerde fractie is voor het eerst bijeen voor een fractievergadering: een stuk of 9 (ex-)KVP-ers, overwegend autochtone katholieke Limburgers, waaronder genoemde Jo Palmen (toen nog lid van het CDA), 1 (ex-)CHU-er, 1 (ex-)CDA-er. De 2 laatstgenoemden behoren tot de 'import'-noorderlingen (Friezen en anderen afkomstig uit de noordelijke provincies). Het gaat er wat rommelig aan toe. Iemand van de oude KVP-fractie zit voor. Mijn vader ziet het enige tijd aan en vraagt dan het woord. Hij herinnert de aanwezigen eraan dat zij als christelijke partijfractie bijeen zijn en spreekt dan de woorden: 'Beginnen jullie niet met gebed?' Even valt er een doodse stilte. Dan wordt hij niet-begrijpend aangestaard. 
Het duurde wel even voor hij in die nieuwe fractie zijn draai gevonden had.
Zo zijn er meer voorbeelden, die mogelijk in latere berichten aan bod komen.

Beste lezer,

Herinner je je ook nog een leuk of interessant verhaal uit die tijd, van je vader, moeder of je opa, oma, waarin Friezen een rol spelen? Schrijf het op en stuur het naar sspinder@upcmail.nl . Je mag me ook vragen om je te bellen als wel wilt vertellen, maar er tegenop ziet om te schrijven (of er geen zin in hebt). In dat geval maak ik er wel een geschikt schriftelijk stukje van.

vrijdag 10 februari 2017

Gebrook is `nne sjoeëne sjtad




                                                                                                              Het is weer carnavalstijd in Limburg
Gebrook is `nne sjoeëne sjtad.
Nee, dit is geen Fries! Het is de eerste regel van een Limburgs carnavalslied en het betekent: Hoensbroek is een mooie stad. De tekst van het lied is gemaakt door… een Fries die in deze plaats woonachtig is. Ik heb hem al eerder voorgesteld: Driek Portiek. De melodie leende hij van een Fries lied. Een bijzondere prestatie van deze, oorspronkelijk uit Heeg afkomstige, ex-mijnwerker in hart en nieren. Het summum van integratie zou je zeggen. Begin jaren `50, op 17-jarige leeftijd van Friesland naar Zuid-Limburg verhuisd, een snelle carrière gemaakt in de mijn, maatschappelijk en politiek actief, getrouwd met een Limburgse…, kortom: helemaal zijn draai gevonden in het `katholieke zuiden`.

Zelf ben ik tijdens mijn kinderjaren opgevoed met het idee dat carnaval niks voor ons was, dat was iets voor de Limburgers, de roomsen, net als kermis en voetballen op zondag. Dat afzetten tegen carnaval was niet iets specifieks van ons gezin. De Gereformeerde kerk van Treebeek organiseerde begin jaren `60 nog anti-carnalvalsavonden om de jongeren uit de eigen gelederen toch vooral weg te houden van het Limburgse carnaval. Iets dat op den duur onhoudbaar bleek. In loop van de jaren `60 gingen die door de kerk georganiseerde avonden steeds meer lijken op carnaval volgens de Limburgse traditie. Voor de meeste Friezen (en andere noorderlingen) is carnaval nu een geaccepteerde zaak, maar dat heeft wel even zijn tijd nodig gehad.

Bij Driek Portiek ging dat kennelijk sneller. Bij zijn aankomst in Limburg kwam hij destijds in een gespreid bedje terecht. Er woonden al verschillende familieleden in de omgeving van Hoensbroek, die eerder de overstap naar het mijnwerkersbestaan hadden gemaakt. Èn hij was - anders dan de meeste noorderlingen - katholiek opgevoed. Mogelijk zijn dat factoren geweest die het invoegen in de Limburgse samenleving hebben vergemakkelijkt. Heeft hij Friesland nu zoveel jaar later achter zich gelaten en is hij een Limburger geworden? Tijdens het gesprek dat ik met hem heb, vraag ik of hij zichzelf meer als Limburger ziet of meer als Fries. Zonder aarzelen antwoordt hij onmiddellijk: Fries! 


Ken je ook een verhaal over Friezen (in Limburg) en carnaval?

Reageer!
-
Laat het me weten.


woensdag 4 januari 2017

Fryske Kriten

Al enige tijd ben ik op zoek naar informatie over Fryske Kriten, oftewel: Friese Kringen. Ik heb mijn ouders er wel eens over horen praten. Ik kan mij herinneren dat ze vertellen dat de Fryske Krite uit Geleen een toneelvoorstelling zal geven (uiteraard in de Friese taal). Het is volkomen duidelijk dat wij daar niet heen zullen gaan. Je voelt aan alles dat mijn ouders daar `niks mee hebben’. Pas heel veel later ben ik me gaan afvragen waarom dat was. Wij spraken thuis Fries. En niet alleen thuis, ook op familiebezoek, met onze pakes en beppes. Maar op ook maar het geringste chauvinisme t.a.v. Friesland heb ik mijn ouders nooit kunnen betrappen.
Bijgaande dichtregels weerspiegelen dan ook op geen enkele manier de houding van mijn ouders t.o.v. Friesland. 

Bern fan Fryslân
Anne Jousma

Wy sille altyd bern fan Fryslân bliuwe
wêr`t ek ús wegen liede op `e wrâld.
Wêr`t ús de winen en de seeën driuwe
dit jout ús libben en ús hert syn hâld.
[…]
Bern fan de smûke bosken yn de Wâlden,
dêr`t smelle wegen boartsje ûnder`t beamt.
De wyn strykt yn in marke stil syn fâlden
en flûst`ret yn de blêden, mearkefrjemd.
[…]
Wêr `t ûs de winen en de seeën driuwe,
dit jout ús libben en ús hert syn hâld.
wy wolle altyd bern fan Fryslân bliuwe,
fier of tichtby, oeral yn de wrâld.

Niet alle coupletten zijn hier weergegeven. Aan elke Friese streek is een couplet gewijd. Onze familie is afkomstig uit `de Wâlden’. 
In het al eerder aangehaalde artikel `Ondergrondse Friezen`(Leeuwarder Courant van 22 december 2012, zie een eerder bericht op deze blog) lees ik:
”Tetman de Vries die voor zeshonderd dolenthousiaste Friezen zijn populaire programma’s speelt in een zalencentrum in Hoensbroek. Het is nu moeilijk meer voor te stellen, maar in de jaren vijftig en zestig gebeurde het geregeld. Een stuk of zes Fryske Kriten hielden in de mijnstreek van Limburg de herinneringen aan het heitelân warm bij liedjes en sketches en onderlinge gesprekken in de memmetaal.”
Dit speelt zich af op een steenworp afstand van waar wij wonen. Nooit zijn we bij een dergelijke voorstelling aanwezig.
Het citaat prikkelt mijn nieuwsgierigheid naar het fenomeen Fryske Kriten. Tot mijn teleurstelling kan ik er aanvankelijk bitter weinig over vinden. Tot ik op een dag stuit op de titel: Friezen yn `e Frjemdte, ondertitel: In skiednis fan Friezen om utens. Ik kan het tweedehands op de kop tikken
Het blijkt een boek uit 2011, formaat statenbijbel, 770 pagina’ s, drieëneenhalve kilo papier, vergezeld van een DVD en, warempel, daarin een heel hoofdstuk gewijd aan Fryske Kriten in Zuid-Limburg.
Volgende keer iets meer hierover.


Wat mijn ouders betreft blijft het een raadsel, wel de Friese taal, maar niet de Friese cultuur. Een antwoord zal wel nooit komen.

(wordt vervolgd)

OPROEP
Wie weet meer te vertellen over de Fryske Kriten in de Oostelijke Mijnstreek? Ken je iemand die er meer van weet? Laat het mij weten. Dat stel ik zeer op prijs.

dinsdag 12 juli 2016

Op bezoek bij Driek Portiek

Speurend naar verhalen over Friezen die naar Limburg zijn vertrokken kom ik een artikel tegen met de titel `Ondergrondse Friezen`. Het is gepubliceerd in de Leeuwarder Courant van 22 december 2012. De
schijnwerpers worden in dat artikel gericht op de in Hoensbroek wonende Driek Portiek (82 jaar). 
Tot nu toe staan in deze blog Friezen centraal die in het begin van de twintigste eeuw (zo rond 1920) aangetrokken werden door de werkgelegenheid die de mijnen in Zuid-Limburg boden. De vraag naar voldoende en geschikte arbeidskrachten stond met regelmaat hoog op de agenda van de mijndirecties. Enkele jaren na de beëindiging van de tweede wereldoorlog is dat ook weer het geval. De gezamenlijke mijnen zetten ondermeer in Friesland een wervingscampagne op touw. Via advertenties en affiches met slogans als `Emigreer  in eigen land, er ligt een rijke toekomst in de Nederlandsche mijnen’, `Een nieuwe toekomst - een goed bestaan’, etc. probeert men Friezen te bewegen naar het zuiden te vertrekken.
In het betreffende artikel wordt de Leeuwarder Courant van 12 december 1951 aangehaald: „Voor `een vrij groot aantal` belangstellenden spreekt in Heerenveen de heer Huskes van de Staatsmijnen over het royale aanbod van banen in Limburg.”
De zeventienjarige Driek vertrekt in 1952 naar Limburg. Daarmee treedt hij in de voetsporen van een aantal familieleden, broers en zussen van zijn moeder, die hem al in de jaren dertig waren voorgegaan.
Het eerder genoemde artikel over Driek Portiek maakt me nieuwsgierig en ik besluit hem te bellen met de vraag of we elkaar kunnen spreken. De naam Spinder is hem niet onbekend. Onmiddellijk somt hij de namen op van de mijnwerkers uit mijn familie: Gerrit (mijn oom), Geert (vader), Thijs (oom), Siemen, de oudste zoon van Gerrit. Gerrit kent hij het beste. Met hem heeft hij deel uit gemaakt van de CDA-fractie in de Heerlense gemeenteraad (rond 1980).
De afspraak is gauw gemaakt.
Ik bel aan op het opgegeven adres. Een grote man verschijnt in de deuropening. Hij verwelkomt mij met een stevige handdruk. Ik spits mijn oren, er klinkt koormuziek. `Ik heb het Workummer mannenkoor opgezet.’ Driek Portiek heeft een zuidelijke tongval, maar als hij de namen van mijn vader (Geert) en oom (Gerrit) uitspreekt hoor ik toch geen `zachte g`. Zijn `g` klinkt nog altijd Fries (dat is zoals de Fransen de `g` uitspreken in bijvoorbeeld het woord `garçon`). Hij loodst me naar een kamer om mij plaats te laten nemen aan een tafel waarop twee kopjes klaar staan, geflankeerd door een schoteltje met een stukje Limburgse vlaai. Op weg daarheen zie ik in mijn ooghoeken een tijdschrift liggen over Heeg. In de hal hangt een afbeelding van een skûtsje. Het kan niet anders dan dat je hier bij een Fries binnenstapt!
Er volgt een geanimeerd gesprek. In berichten die later volgen zal ik daar meer over vertellen. Wie nu al meer wil weten over deze bijzondere man kan terecht op de website van `de mijnen’.



donderdag 9 juni 2016

Een noodwoning op de Steenberg


        De schacht van de staatsmijn Emma

(Mijn pake) Siemen Spinder was een ongeduldig type. Vanuit Friesland is hij eerst alleen naar Limburg vertrokken. Dat was om de boel te verkennen en om werk te zoeken. Daartoe verbleef hij een aantal maanden in een Gezellenhuis. Hij vond werk bij de staatsmijn Emma. Hier kon hij bovengronds aan de slag als machinebankwerker. De woningnood was groot in die tijd (omstreeks 1928). Het was dan ook lang wachten vooraleer aan de beurt te zijn voor een woning. Dat duurde hem allemaal te lang. Daarom liet hij de rest van het gezin overkomen, zonder al over een woonplek te beschikken. Hij stationeerde toen het gezin (moeder met vier kinderen) bij het hek van het woningbureau van de Emma aan de Akerstraat, ging zelf naar binnen en vroeg de betreffende ambtenaar naar buiten te kijken. `Zie je die mensen daar? Dat is mijn gezin. We hebben nù woonruimte nodig.` Na de nodige tegenstrubbelingen (dat kon toch zomaar niet ….) werd hen toen een noodwoning op de Steenberg (Hoensbroek) toegewezen.

Enige achtergrondinformatie over de noodwoningen
Over het type noodwoning waar mijn pake en beppe in eerste instantie in terecht kwamen vond ik meer informatie op de site van `De Mijnen`:
In de jaren 1918 tot en met 1921 bouwde Staatsmijnen niet minder dan 718 van dergelijke woningen. Die noodwoningen waren des te harder nodig. Immers in 1914 had Staatsmijnen de mijn Emma en in 1918 de mijn Hendrik in bedrijf genomen. De “levensduur” werd bepaald op zo’n tien tot vijftien jaar. Maar vaak stonden die noodwoningen er tientallen jaren. Bijvoorbeeld de zogenaamde Steenberg-woningen in Hoensbroek (Mariagewanden). Het zou hier nog tot in de jaren 1960 duren alvorens die noodwoningen aldaar onder de slopershamer kwamen.

Fragment uit:
bron: Sjef Maas, Mijnwerkerswoningen
http://www.demijnen.nl/collectie/interview/mijnwerkerswoningen

Overigens ken ik die wijk niet anders dan de `Steenberg`. Toch werd de naam van die buurt al in 1949 officieel herdoopt in Mariagewanden. Deze aanduiding is bij mijn weten thans het meest gangbaar.

Hoewel ikzelf in Treebeek ben opgegroeid in de jaren `50 -`60 wist ik van het bestaan van de winkel van de kruidenier Scholten op de Steenberg. Zij waren, net als wij, gereformeerd en lid van de gereformeerde kerkgemeenschap in Treebeek. Ze hadden een rijke kinderschare, waaronder een tweeling, twee meisjes. Deze waren ongeveer mijn leeftijd en op de lagere school waren we klasgenoten. Heel wat gereformeerde Friezen uit de wijde omgeving behoorden tot de klandizie van winkelier Scholten.




Prico (Prins en Co), de winkel van de familie Scholten op de Steenberg. De familie Scholten runde lange tijd de buurtwinkel De Prico (Prins en co) in de Hubertusstraat 33-35. Het was een typische buurtwinkel waar men voor bijna alles terecht kon. Zelfs nadat de winkel gesloten was kon men nog vlug even achterom iets kopen dat overdag vergeten was. 's Zondags echter kon dit niet omdat de gereformeerde vader Scholten de zondagsrust daarvoor te belangrijk vond.
Zie ook: http://mariagewanden.nl/nl/geschiedenis





De Akerstraat in 1917, vlak voor de aanleg van de tramlijn. Deze liep na de aanleg in 1918 over een onverharde weg. Een zodanig belangrijke verbindingsweg, die langs de Emma liep waar toen al bijna 10jaar een bedrijf lag waar ruim 2000 mensen werkten, was toen nog niet eens beklinkerd. De tramlijn liep van Heerlen naar Sittard met een aftakking naar Brunssum.
bron: http://www.sdhc.nl/os-gebrook/ontstaan-van-gebrook/